Aa Lettergrootte
16
 
Hypotone-hyporesponsieve episode na vaccinatie
Overzicht

Na vaccinatie kan bij een kind plotselinge slapheid, verminderd reageren en een witte of blauwe huidverkleuring ontstaan. Van een volledig bewustzijnsverlies hoeft geen sprake te zijn. Dit beeld wordt een hypotone-hyporesponsieve episode (HHE) genoemd. Kinderen jonger dan 2 jaar kunnen een HHE krijgen als reactie op een onaangename prikkel, bijvoorbeeld vaccinatie. Een HHE wordt het vaakst gezien na de eerste vaccinaties rond 2 maanden. Het treedt binnen 48 uur na vaccinatie op, maar het vaakst na 3 tot 4 uur. Een HHE duurt tussen de 6 en 30 minuten. Kinderen herstellen vaak weer spontaan zonder dat behandeling nodig is. Een HHE is onschuldig, maar kan voor de omgeving van het kind erg beangstigend zijn om mee te maken.

Hoe een HHE ontstaat is nog onduidelijk
Mogelijk ontstaat een HHE als gevolg van prikkeling van een nog onvoldoende rijp autonoom zenuwstelsel. Hierdoor zou een (onaangename) prikkel, zoals pijn, overgeven, rectaal temperaturen of vaccineren kunnen leiden tot een reactie van de bloedvaten. Deze theorie wordt ondersteund door het feit dat naarmate kinderen ouder zijn, HHE’s minder vaak optreden na vaccinatie. Er zijn geen aanwijzingen dat een HHE samenhangt met al bestaande afwijkingen van de bloedvaten, de bloeddruk, het bloedglucosegehalte of bloedcellen en de hieraan onderliggende ziektebeelden.

Er zijn geen aanwijzingen voor negatieve effecten op de lange termijn
Diverse onderzoeken laten zien dat het doormaken van een HHE geen negatief effect heeft op de verdere ontwikkeling van het kind. Kinderen die een HHE hebben gehad na vaccinatie, hebben een kleine kans om dit opnieuw te krijgen bij vervolgvaccinaties. Op basis van het lage herhalingsrisico en aangezien er geen aanwijzingen zijn voor negatieve lange termijneffecten, vormt een doorgemaakte HHE geen reden voor niet vaccineren.

Laatst bijgewerkt op 04-09-2020


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.