Aa Lettergrootte
16
 
Bètablokkers tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Labetalol, metoprolol en propranolol kunnen tijdens de borstvoedingsperiode waarschijnlijk veilig worden gebruikt.
Acebutolol, atenolol en sotalol komen in grotere hoeveelheden in de moedermelk terecht. Daarom wordt het gebruik tijdens de borstvoedingsperiode afgeraden.
Over de andere bètablokkers zijn onvoldoende gegevens bekend om een uitspraak te kunnen doen over de mogelijke risico’s.

Let op
Controleer de zuigeling op slaperigheid, bleekheid, loomheid, slecht drinken en groei als de moeder een bètablokker gebruikt.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - labetalol
    • - metoprolol
    • - propranolol
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - acebutolol
    • - atenolol
    • - sotalol
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - bisoprolol
    • - carvedilol
    • - celiprolol
    • - esmolol
    • - landiolol
    • - nebivolol
    • - pindolol

Overgang in de borstvoeding
Labetalol en propranolol gaan slechts in kleine hoeveelheden in de moedermelk over. Metoprolol gaat iets meer over in de moedermelk, maar de absolute bloot­stelling voor het kind is laag.

Acebutolol, atenolol en sotalol hebben een lage eiwitbinding en gaan meer over in de moedermelk dan labetalol, propranolol en metoprolol. Uitscheiding vindt plaats via de nieren. Daarom wordt het gebruik tijdens de borstvoeding bij prematuren en neonaten afgeraden.

Over het gebruik van de andere betablokkers tijdens de borstvoeding zijn vrijwel geen gegevens bekend.

Effecten op de zuigeling
Bij gebruik van sommige bètablokkers, met name acebutolol en atenolol, en mogelijk ook sotalol, tijdens de borstvoeding zijn bij de zuigeling typische verschijnselen van bètablokkade gemeld: bradycardie, sedatie, ademhalingsproblemen, lage lichaamstem­peratuur en te lage bloedglucosespiegels. Bij gebruik van labetalol, metoprolol en propranolol zijn deze effecten tot nu toe nog niet gemeld.

Laatst bijgewerkt op 26-03-2019


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.