Aa Lettergrootte
16
 
Klassieke antipsychotica tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Van de klassieke antipsychotica kan haloperidol waarschijnlijk veilig worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

Let op
Controleer de zuigeling op sufheid of irritatie, apneu (stokken van de ademhaling tijdens de slaap), een droge mond, niet wakker worden voor de voeding, slecht drinken, gewichtstoename of bewegingsstoornissen (extrapiramidale symptomen).

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - haloperidol
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - flufenazine
    • - periciazine
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - broomperidol
    • - pipamperon
    • - chloorprotixeen
    • - flupentixol
    • - zuclopentixol
    • - fluspirileen
    • - penfluridol
    • - perfenazine
    • - pimozide
    • - sulpiride
    • - tiapride

Keuze van het middel
Over het gebruik van antipsychotica tijdens de borstvoedingsperiode zijn relatief weinig gegevens bekend. Binnen de klassieke antipsychotica gaat de voorkeur uit naar haloperidol. Streef naar monotherapie in een zo laag mogelijke dosering. Over de lange termijn ef­fecten is weinig bekend.

Haloperidol, broomperidol, pipamperon
Binnen de groep butyrofenonen is met haloperidol in doseringen tot 10 mg de meeste ervaring opgedaan. Haloperidol gaat in beperkte hoeveelheid over in de moedermelk. Bij doseringen tot 10mg per dag zijn geen nadelige effecten gemeld. Haloperidol kan de hoeveelheid melk doen toenemen door verhoging van de prolactinespiegel. Met het gebruik van broomperidol en pipamperon is tijdens de borstvoeding geen ervaring opgedaan.

Perfenazine, flufenazine, periciazine
Fenothiazinen kunnen de hoeveelheid melk doen toenemen door stijging van de prolac­tinespiegel.
Op basis van één casusbeschrijving lijkt perfenazine in geringe hoeveelheden over te gaan in de moedermelk en kan mogelijk veilig gebruikt worden. Er is geen onderzoek naar het gebruik van de andere middelen.
Flufenazine en periciazine zijn gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge kinderen vanwege het risico op sedatie, ademhalingsdepressie en de associatie met Sudden Infant Death Syndrome (SIDS). Na blootstelling aan fenothiazines via de borstvoeding is SIDS of apneu nog nooit gemeld.

Chloorprotixeen, flupentixol en zuclopentixol
Thioxanthenen gaan over in de moedermelk. Met het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding is zeer beperkt ervaring opgedaan.

Fluspirileen, penfluridol en pimozide
Over het gebruik van difenylbutylaminen tijdens de borstvoeding zijn geen gegevens bekend.

Tiapride
Met het gebruik van tiapride tijdens de borstvoeding is geen ervaring opgedaan.

Sulpiride
Sulpiride kan de hoeveelheid melk verhogen door het stijgen van de prolactinespiegel. Het middel gaat in vrij grote hoeveelheden in de moedermelk over. De gepubliceerde onderzoeken laten een grote variatie in de relatieve kinddosis zien. Tot nu toe zijn bij gebruik gedurende een aantal weken geen negatieve effecten gezien. Sulpiride was in alle beschreven gevallen gestart om de hoeveelheid melk te verhogen en niet als antipsycho­ticum.

Laatst bijgewerkt op 20-02-2019


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.