Aa Lettergrootte
16
 
Radioactieve middelen bij beeldvorming of behandeling tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Het toedienen van radioactieve middelen (radiofarmaca) kan een risico zijn tijdens de borstvoedingsperiode. Radiofarmaca zijn geneesmiddelen die radioactieve (ioniserende) straling bevatten. De meeste radiofarmaca worden toegediend voor het in beeld brengen van organen. Bij dit onderzoek wordt de straling gemeten in een scanner (SPECT-CT of PET-CT). Er zijn ook radiofarmaca die als behandeling worden ingezet. Voorbeelden van radiofarmaca zijn Technetium-99m en Jodium-131.

Let op
Overleg met uw behandelend arts als u borstvoeding geeft en de inzet van radiofarmaca wordt overwogen. Afhankelijk van het soort onderzoek of behandeling wordt dan bekeken of en hoelang het nodig is de borstvoeding te onderbreken.

 

Risico indeling
  • Risico Het is niet veilig om dit geneesmiddel te gebruiken in de borstvoedingsperiode. Kies zo mogelijk voor een veiliger middel. Als dat niet mogelijk is, ga dan over op flesvoeding.
    • - radiofarmaca

De tijd die nodig is om de radioactiviteit in de moedermelk tot een veilig niveau te laten dalen, hangt af van het radioactieve verval en de eliminatie bij de moeder. Nadat is vastgesteld dat de hoeveelheid radioactiviteit in de melk is gedaald tot een veilig niveau, kan de borstvoeding worden hervat.

Laatst bijgewerkt op 07-09-2020


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.