Barbituraten bij epilepsie tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Als de moeder fenobarbital of primidon gebruikt en borstvoeding geeft, kan de zuigeling last krijgen van sufheid en problemen met drinken, vooral wanneer de moeder meerdere sederende geneesmiddelen gebruikt. Daarom wordt het geven van borstvoeding afgeraden.

Let op
Controleer de zuigeling op sufheid en problemen met drinken, als de borstvoeding toch wordt voortgezet tijdens het gebruik van fenobarbital of primidon. Staak de borstvoeding als de zuigeling deze symptomen krijgt.

Risico indeling
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - fenobarbital
    • - primidon

Fenobarbital en ook primidon, dat fenobarbital als metaboliet heeft, gaan in aanzienlijke hoeveelheden over in de moedermelk. Deze middelen kunnen stapelen bij de zuigeling door de lange halfwaardetijd. Er zijn meerdere meldingen van sedatie en problemen met voeden bij de zuigeling. Vooral als de moeder fenobarbital of primidon gebruikte in combinatie met andere sederende middelen.

Achtergrondinformatie
Vrouwen met epilepsie hebben meestal al gedurende de hele zwangerschap anti-epileptica gebruikt. Als zij borstvoeding gaan geven heeft dat positieve effecten op de ontwikkeling van het kind. Borstvoeding kan mogelijk ook de intensiteit van onthoudingsverschijnselen bij de pasgeborene verminderen. Zowel tijdens de zwangerschap als tijdens de borstvoeding gaat de voorkeur uit naar monotherapie. Bij gebruik van meerdere anti-epileptica wordt het geven van borstvoeding afgeraden. Bij verschillende combinaties van anti-epileptica zijn nadelige effecten op de zuigeling gemeld, waaronder braken, sedatie, verhoogde prikkelbaarheid en een verminderde zuigreflex.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.