Progestagenen tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Het gebruik van progestagenen voor anticonceptie tijdens borstvoeding is algemeen geaccepteerd. Dit geldt ook voor het levonorgestrel-bevattende spiraaltje en de medroxyprogesteron injectie.

Over het gebruik van de morning-afterpil ulipristal tijdens de borstvoeding zijn geen gegevens bekend.

Met het gebruik van hoge doses progestagenen (medroxyprogesteron, megestrol, lynestrenol, norethisteron) tijdens de borstvoedingsperiode is geen ervaring opgedaan.

Let op

  • Start combinatieanticonceptie met progestagenen en oestrogenen pas 6 weken na de bevalling.
  • Anticonceptie met alleen een progestageen kan eerder gestart worden tijdens de borstvoeding.
  • Bij gebruik van levonorgestrel als morning-afterpil: neem deze in direct na het voeden. Kolf vervolgens gedurende zes tot acht uur de melk af en gooi deze weg. Daarna kan de borstvoeding worden hervat.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - desogestrel
    • - dienogest
    • - drospirenon
    • - etonogestrel
    • - gestodeen
    • - levonorgestrel
    • - medroxyprogesteron (anticonceptie)
    • - nomegestrol
    • - norelgestromine
    • - norgestimaat
    • - progesteron
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - dydrogesteron
    • - lynestrenol
    • - medroxyprogesteron (hoge dosis)
    • - megestrol
    • - norethisteron
    • - ulipristal

Progestagenen gebruikt voor anticonceptie komen niet of nauwelijks in de moedermelk terecht. In diverse onderzoeken zijn geen nadelige effecten op de groei en ontwikkeling van de zuigeling gezien.

Levonorgestrel
De hoeveelheid levonorge­strel die uit het spiraaltje vrijkomt, geeft een lagere plasmaspiegel dan de injectie of orale toediening.

Levonorgestrel in de morning-afterpil geeft een tienmaal hogere piek­concentratie in de moedermelk dan bij gebruik voor anticonceptie. Daarom wordt geadviseerd de tablet in te nemen na de borstvoeding en gedurende 6 tot 8 uur na inname melk af te kolven en weg te gooien.

Progesteron
Progesteron gaat nauwelijks over in de moedermelk. Effec­ten op de melkproductie of op de zuigeling zijn niet gemeld.

Dydrogesteron
Dydrogesteron is sterk verwant aan progesteron. Over het gebruik tijdens de borstvoeding zijn geen gegevens bekend. Nadelige effecten zijn niet waarschijnlijk. De kans dat een pasgeboren kind wordt blootgesteld aan dydrogesteron is klein, omdat het middel wordt gebruikt voor onder andere endometriose en dysmenorroe.

Norethisteron
Norethisteron kan in hoge dosis de borstvoeding onderdrukken. Daarnaast kan het de kwaliteit van de moedermelk nadelig beïnvloeden; de hoeveelheid lactose, stikstof en eiwitten neemt af. Dit kan leiden tot verminderde gewichtstoename van de zuigeling.

Etonogestrel implantatiestift
Etonogestrel gaat weinig over in de borstvoeding. Er zijn geen effecten gezien op de melkproductie of op de zuigeling na toediening als implantatiestift.

Medroxyprogesteron depot
Medroxyprogesteron gaat nauwelijks over in de borstvoeding. Er zijn geen effecten gezien op de melkproductie of op de zuigeling na toediening als depot.

Informatie over oestrogenen is te vinden op de pagina over oestrogenen.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.