Tuberculosemiddelen tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Isoniazide kan waarschijnlijk veilig worden gebruikt tijdens de borstvoeding.
Ook ethambutol, pyrazinamide en rifampicine kunnen, indien nodig, worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

Let op
Wees bij gebruik van isoniazide bedacht zijn op levertoxiciteit bij de zuigeling. Bij gebruik van isoniazide moet tevens vitamine B6 worden gebruikt.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - ethambutol
    • - isoniazide
    • - pyrazinamide
    • - rifampicine
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - bedaquiline
    • - rifabutine

Isoniazide gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk, maar er zijn geen nadelige effecten bij de zuigeling bekend.
Ethambutol, pyrazinamide en rifampicine gaan in kleine hoeveelheden over in de moe­dermelk.
Over het gebruik van bedaquiline en rifabutine tijdens de borstvoeding zijn geen gegevens bekend.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.