Aa Lettergrootte
16
 
Antiretrovirale middelen bij HIV tijdens de zwangerschap
Overzicht

HIV-positieve zwangere vrouwen moeten behandeld worden door HIV-specialisten in gespecialiseerde centra.

De keuze voor de therapie bij HIV hangt met diverse fac­toren samen, waaronder de kinetiek, toxiciteit en co-infectie. Bij de therapie bij HIV wordt onderscheid gemaakt tussen de behandeling van de aandoening bij de moeder en de behandeling om het risico op perinatale transmissie naar het kind te beperken.
De combinatietherapie met drie middelen, waaronder veelal lamivudine en zidovudine, kan worden gebruikt om de infectie bij de moeder te behandelen. Geef efavirenz liever niet in het eerste trimester. Dierstudies wijzen op nadelige effecten. De beperkte humane ervaring, een paar honderd gevolgde zwangerschappen, wijst niet op nadelige effecten bij de mens.

Kinetiek
Door de zwangerschap kan de kinetiek van antiretrovirale middelen veranderen, waardoor de spiegels vooral in het tweede en derde trimester van de zwangerschap fors kunnen dalen. Hierdoor kan het zijn dat het virus onvoldoende onderdrukt wordt. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen adviseert daarom bepaalde combinaties van antiretrovirale middelen niet te starten tijdens de zwangerschap, en vrouwen die zwanger worden tijdens de therapie om te zetten op een alternatief regime. Dit geldt in ieder geval voor cobicistat in combinatie met darunavir, cobicistat in combinatie met elvitegravir, en cobicistat in combinatie met andere middelen.

Dolutegravir
De EMA adviseert op basis van voorlopige resultaten van een onderzoek in Botswana uit voorzorg om HIV remmers met dolutegravir niet voor te schrijven aan vrouwen die zwanger kunnen worden. In dit onderzoek kregen vier van de 426 vrouwen die zwanger werden terwijl ze dolutegravir gebruikten, een kind met een neuraalbuisdefect (0.9%). Bij de vrouwen die een andere HIV remmer gebruikten was dit 0.1%.

Laatst bijgewerkt op 02-04-2019


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.