Systemische corticosteroïden tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Tijdens de borstvoedingsperiode gaat de voorkeur uit naar prednison, prednisolon,  of methylprednison. Ook tijdens het gebruik van hoge doseringen gedurende enkele dagen kan de borstvoeding worden voortgezet.

Over het gebruik van de andere corticosteroïden tijdens de borstvoedingsperiode zijn geen gegevens bekend. Kortdurend gebruik van betamethason, dexamethason en triamcinolon is waarschijnlijk veilig.

Corticosteroïden die gebruikt worden als substitutietherapie bij bijnierschorsinsufficiëntie (hydrocortison, fludrocortison en cortison), kunnen tijdens de borstvoeding gebruikt worden.

Let op
Houd de groei en de ontwikkeling van de zuigeling in de gaten, als de moeder langere tijd een hogere dosering corticosteroïden gebruikt. 

Risico indeling
  • Meest veilig Dit geneesmiddel is -binnen deze groep- de veiligste keuze voor gebruik tijdens de borstvoedingsperiode. Er is, in onderzoek of in de praktijk, geen verhoogd risico gevonden op nadelige effecten voor de zuigeling of op de melkproductie.
    • - prednisolon
    • - prednison
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - bètamethason (kortdurend)
    • - cortison
    • - dexamethason (kortdurend)
    • - fludrocortison
    • - hydrocortison
    • - methylprednisolon
    • - triamcinolon (kortdurend)
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - bètamethason (langdurig)
    • - dexamethason (langdurig)
    • - triamcinolon (langdurig)

Prednison en prednisolon
Prednisolon gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De relatieve kinddosis bij doseringen tot 80 mg per dag bedraagt 1 tot 5%. Nadelige effecten op de zuigeling zijn niet gemeld, ook niet na eenmalige of kortdurende toediening van hogere doseringen.

Wanneer predniso(lo)n over een langere periode moet worden gebruikt, bijvoorbeeld als behan­deling van een auto-immuunziekte, kan worden overwogen om na inname 3 tot 4 uur te wachten met voeden.

Hydrocortison
Hydrocortison is hetzelfde als het lichaamseigen cortisol, dat bij de mens het belangrijkste circulerende bijnierschorshormoon is. Cortisol komt van nature voor in de borstvoeding. Er is geen onderzoek gedaan naar de hoeveelheid in de borstvoeding na inname van hydrocortison.

Methylprednisolon
Bij het gebruik van methylprednisolon intraveneus gedurende enkele dagen, wordt geadviseerd tot vier-zes uur na de toediening te kolven en de melk weg te gooien.

Betamethason, dexamethason en triamcinolon
Met het systemische gebruik van betamethason, dexamethason en triamcinolon is geen ervaring opgedaan tijdens de borstvoeding. Uit onderzoek blijkt dat andere corticosteroïden slechts in geringe mate overgaan in de moedermelk. Kortdurend gebruik van een normale dosis leidt waar­schijnlijk niet tot nadelige effecten bij de zuigeling. Langdurig gebruik kan beter worden vermeden vanwege het ontbreken van ervaring, de sterke werking en de hogere biologi­sche beschikbaarheid. Een case-report beschrijft een sterke afname van de borstvoeding na een hoge dosis triamcinolon in depotvorm.

Informatie over de cutane toepassing is te vinden op de pagina over corticosteroïden op de huid.
Informatie over de toepassing bij astma is te vinden op de pagina over corticosteroïden per inhalatie bij astma.
Informatie over de rectale toepassing is te vinden op de pagina over corticosteroïden bij chronische darmontsteking

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.