Tricyclische antidepressiva tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Tijdens de borstvoedingsperiode kunnen de tricyclische antidepressiva, met uitzondering van doxepine, waarschijnlijk veilig worden gebruikt. De voorkeur gaat uit naar nortriptyline, imipramine en dosulepine. Met deze middelen is de meeste ervaring opgedaan.

Let op:
Controleer voor de zekerheid de zuigeling de eerste weken op slecht slapen, sufheid, geïrriteerdheid, veel huilen, slecht drinken en slecht groeien.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - amitriptyline
    • - clomipramine
    • - dosulepine
    • - imipramine
    • - nortriptyline
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - doxepine
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - maprotiline

Tricyclische antidepressiva gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De relatieve kinddosis is laag. De serumconcentraties bij de zuigeling zijn laag of niet aantoonbaar.

Amitriptyline, clomipramine, dosulepine, imipramine, nortriptyline
Bij gebruik van clo­mipramine, dosulepine, imipramine of nortriptyline door de moeder zijn geen nadelige effecten gezien bij de zuigeling. Bij amitriptyline gebruik tijdens de borstvoeding is er één melding van ernstige sedatie en slecht drinken bij de zuigeling. Dit was bij een dosering van slechts 10 mg/d.
De meeste ervaring is met nortriptyline, dosulepine en imipramine. De ervaring met amitriptyline en clomipramine is beperkt.

Doxepine
Gebruik van doxepine tijdens de borstvoeding wordt afgeraden. Er zijn twee meldingen van nadelige effecten. Een kindje had een ademhalingsdepressie met ernstige sufheid, een ander kindje was hypotoon, moest braken en had een slechte zuigreflex. Beide kinderen herstelden snel na stoppen van de medicatie.

Maprotiline
Over maprotiline zijn onvoldoende gegevens bekend om een uitspraak te kunnen doen over de mogelijke risico’s.

Mogelijke effecten bij de zuigeling
Er is beperkte ervaring met deze middelen tijdens de borstvoeding. Tot nu toe zijn er weinig effecten gemeld op de zuigeling. Bij andere antidepressiva als SSRI’s zijn wel effecten op de zuigeling gemeld. Ze zijn meestal mild van aard. Effecten die gezien zijn, zijn; sufheid, geïrriteerdheid, slecht drinken en slecht groeien. Het is daarom verstandig het kindje de eerste periode te controleren op deze effecten.

Postpartum depressie
De periode na de bevalling zijn vrouwen extra gevoelig voor psy­chische stoornissen. Tussen de 10 en 15% van de vrouwen krijgt een postpartum depressie. Het gebruik van antidepressiva of andere psychofarmaca hoeft geen reden te zijn om met het geven van borstvoeding te stoppen. In de meeste groepen psychofarmaca zijn geneesmiddelen die kunnen worden gebruikt.

Met alle psychofarmaca is onvoldoende ervaring opgedaan om een uitspraak te kunnen doen over de effecten op de lange termijn. Tot nu toe zijn er geen duidelijke aanwijzin­gen voor nadelige effecten bij het kind op latere leeftijd. De voorkeur gaat uit naar monotherapie in een zo laag mogelijke dosering.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.