Plaatselijke verdovingsmiddelen tijdens de zwangerschap

Overzicht

Tijdens de zwangerschap kunnen de lokaal anesthetica (plaatselijke verdovingsmiddelen) articaïne, bupivacaïne, lidocaïne, mepivacaïne en prilocaïne worden gebruikt.
Vermijd gebruik van prilocaïne tijdens de bevalling.

Let op

  • Na gebruik van prilocaïne bij de bevalling kan methemoglobinemie (een aandoening van de rode bloedcellen waardoor te weinig zuurstof wordt opgenomen) optreden bij het pasgeboren kind.  Deze bijwerking is echter zeldzaam.
  • Bij gebruik van bupivacaïne, levobupivacaïne, mepivacaïne, prilocaïne, en ropivacaïne tijdens de bevalling kunnen bijwerkingen bij het pasgeboren optreden, zoals bradycardie (trage hartslag) en ademhalingsdepressie. Vermijd gebruik van deze middelen bij een paracervicale blokkade.

Risico indeling

  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de zwangerschap. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er meer onderzoek is gedaan naar dat middel (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - articaïne
    • - bupivacaïne (behalve gebruik bij de bevalling)
    • - lidocaïne
    • - mepivacaïne (behalve gebruik bij de bevalling)
    • - prilocaïne (behalve gebruik bij de bevalling)
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan mogelijk nadelige effecten hebben op zwangerschap of –ongeboren- kind (zie tekst ‘Meer weten’). Weeg de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van behandeling van de moeder. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden of voer extra controles uit.
    • - bupivacaïne (gebruik bij de bevalling)
    • - levobupivacaïne (gebruik bij de bevalling)
    • - mepivacaïne (gebruik bij de bevalling)
    • - prilocaïne (gebruik bij de bevalling)
    • - ropivacaïne (gebruik bij de bevalling)
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de zwangerschap is geen of onvoldoende informatie beschikbaar. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - chloorprocaïne
    • - felypressine
    • - levopubivacaïne (behalve gebruik bij de bevalling)
    • - ropivacaïne (behalve gebruik bij de bevalling)

Lokaal anesthetica passeren de placenta.

Articaïne, bupivacaïne, lidocaïne, mepivacaïne en prilocaïne zijn het best onderzocht tijdens de zwangerschap. Er zijn geen aanwijzingen voor nadelige effecten bij gebruik tijdens de zwangerschap. Er zijn wel case reports van bijwerkingen bij de pasgeborene na gebruik van lokale anesthesie tijdens de bevalling. Bij gebruik voor epidurale anesthesie of een paracervicaal blok zijn bradycardie en effecten op de vitale functies van het pasgeboren kind gemeld.
Bij gebruik van verschillende lokale anesthetica bij de bevalling, maar vooral van prilocaïne, is ook neonatale methemoglobinemie gemeld. Vermijd indien mogelijk gebruik van prilocaïne tijdens de bevalling.

Sommige producten bevatten ook adrenaline (epinefrine) of felypressine (octapressine) voor plaatselijke vaatvernauwing, zodat het effect zo plaatselijk mogelijk blijft. Adrenaline heeft een zeer korte halfwaardetijd, bij lokaal gebruik is relevante blootstelling van de foetus onwaarschijnlijk. Over felypressine is geen informatie.

Laatst bijgewerkt op 23-09-2021


Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel of vaccin. Daarnaast bespreken we diverse andere risico’s voor het ongeboren kind, zoals de kans op vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. De informatie bij borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar. We gaan bij zwangerschap en borstvoeding uit van de gebruikelijke dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Of het gebruik van een geneesmiddel de beste keuze is, en welk geneesmiddel in dat geval de voorkeur heeft, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Deze informatie is bedoeld ter ondersteuning van dit overleg en kan de medische zorg niet vervangen.