Aa Lettergrootte
16
 
Vaccins met levend-verzwakte micro-organismen tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Als een moeder geen of onvoldoende antistoffen heeft tegen rode hond (rubella), is er geen bezwaar tegen inenting met BMR (bof, mazelen en rode hond vaccin) tijdens de borstvoedingsperiode. Dit kan al vlak na de bevalling.

Als tyfusvaccin nodig is tijdens de borstvoeding, dan gaat de voorkeur uit naar het geïnactiveerde tyfusvaccin dat per injectie in de spier wordt gegeven.

Toediening van het gele­koortsvaccin tijdens de borstvoeding wordt afgeraden.

Let op
Bij moeders met zuigelingen met een verminderde afweer wordt het geven van levende vaccins afgeraden.

 

Risico indeling
  • Meest veilig Dit geneesmiddel is -binnen deze groep- de veiligste keuze voor gebruik tijdens de borstvoedingsperiode. Er is, in onderzoek of in de praktijk, geen verhoogd risico gevonden op nadelige effecten voor de zuigeling of op de melkproductie.
    • - bof-mazelen-rubellavaccin
    • - varicellazostervaccin
  • Risico Het is niet veilig om dit geneesmiddel te gebruiken in de borstvoedingsperiode. Kies zo mogelijk voor een veiliger middel. Als dat niet mogelijk is, ga dan over op flesvoeding.
    • - gelekoortsvaccin
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - bcg-vaccin
    • - tyfusvaccin (oraal)

Rubellavaccin
Uit enkele onderzoeken blijkt dat het verzwakte rubella-virus kan overgaan in de moedermelk na vacci­natie van de moeder. Echter, geen van de onderzochte kinderen vertoonde duidelijke symptomen van rubella. Ondanks dat het rubella-vaccin vaak is toegediend in de peri­ode na de bevalling, zijn er slechts twee meldingen van kinderen die mogelijk een rubella-infectie hebben opgelopen via de borstvoeding. Omdat deze kinderen uitsluitend milde symptomen vertoonden, wordt toediening van het rubella-vaccin  vroeg postpartum aangeraden.

Gelekoortsvaccin
In de literatuur is één case-report verschenen over een zuigeling met encefalitis na vaccinatie van de moeder met het gelekoortsvaccin tijdens een epidemie. Encefalitis is een bekende bijwerking van het gelekoortsvaccin na toediening aan zeer jonge kinde­ren. Met het geven van een standaard booster kan men beter wachten tot na de borstvoedingsperiode. Bij het reizen naar een endemisch gebied moet een indivi­duele afweging worden gemaakt.

Varicellazostervaccin
Bij onderzoek naar het gebruik van het varicellazostervaccin tijdens de borstvoeding is geen virus aangetoond in de moedermelk. Ook in een onderzoek met 2 moeders met een varicella-zoster infectie, kon het virus niet aangetoond worden. De antistoffen tegen het virus werden wel geïsoleerd uit de moedermelk in het laatste onderzoek.

Bescherming baby via moeder
Antistoffen van de moeder kunnen via de moedermelk bij de baby terechtkomen. Het duurt enige tijd voor het immuunsysteem van de baby zelf in staat is om voldoende antistoffen te maken. Bij vaccinatie van de moeder is het mogelijk dat de antistoffen via de moedermelk bij de zuigeling terechtkomen. Dit is in ieder geval aangetoond voor het choleravaccin en het E. coli-vaccin. Polioanti­stoffen gaan ook over in de moedermelk en geven het kind de eerste weken bescher­ming.

Laatst bijgewerkt op 02-11-2018


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.