Bloeddrukverhogende middelen tijdens de zwangerschap
Overzicht

De geneesmiddelen in onderstaand overzicht worden in principe alleen systemisch toegepast bij shock en andere vormen van ernstige bloeddrukdalingen, waarbij de doorbloeding van de placenta in gevaar kan zijn. Een adequate behandeling is daarbij in het belang van zowel moeder als ongeboren kind.

Let op

  • Behandel een zwangere vrouw met een ernstige bloeddrukdaling zoals een niet-zwangere.

Risico indeling
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan mogelijk nadelige effecten hebben op zwangerschap of –ongeboren- kind (zie tekst ‘Meer weten’). Weeg de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van behandeling van de moeder. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden of voer extra controles uit.
    • - adrenaline
    • - noradrenaline
    • - efedrine
    • - fenylefrine
    • - midodrine
    • - dopamine
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de zwangerschap is geen of onvoldoende informatie beschikbaar. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - dobutamine
    • - isoprenaline

Sympathicomimetica met effecten op α- en β-receptoren, zoals efedrine, fenylefrine, adrenaline, noradrenaline en midodrine kunnen vasoconstrictie veroorzaken. In theorie kan hierdoor de doorbloeding van de placentaire bloedvaten geremd worden. Dopamine is een voorloper voor noradrenaline en kan in hoge doseringen theoretisch ook zorgen voor een vermindering van de doorbloeding van de placenta. Dit mogelijke risico is echter geen reden om van de toepassing af te zien bij ernstige vitale indicaties.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.