Aa Lettergrootte
16
 
Radioactieve middelen bij beeldvorming of behandeling tijdens de zwangerschap
Overzicht

Het toedienen van radioactieve middelen (radiofarmaca) kan een risico zijn tijdens de zwangerschap. Radiofarmaca zijn geneesmiddelen die radioactieve (ioniserende) straling bevatten. De meeste radiofarmaca worden toegediend voor het in beeld brengen van organen. Bij dit onderzoek wordt de straling gemeten in een scanner (SPECT-CT of PET-CT). Er zijn ook radiofarmaca die als behandeling worden ingezet. Voorbeelden van radiofarmaca zijn Technetium-99m en Jodium-131.

Let op
Een grote hoeveelheid radioactieve straling kan de kans op miskramen en aangeboren afwijkingen vergroten. Overleg met uw behandelend arts als de inzet van radiofarmaca wordt overwogen terwijl u zwanger bent of denkt dat te kunnen zijn. Afhankelijk van het soort onderzoek of behandeling wordt dan bekeken of het wel of niet kan doorgaan.

Risico indeling
  • Risico op aangeboren afwijkingen Dit geneesmiddel geeft een verhoogd risico op aangeboren afwijkingen of andere blijvende schade. Gebruik dit middel alleen in uitzonderingsgevallen (met extra controles). Kies zo mogelijk voor een veiliger middel of staak -tijdelijk- de behandeling.
    • - radiofarmaca

Radioactieve straling
Radioactieve straling kan de kans op miskramen en aangeboren afwijkingen vergroten. Of deze nadelige effecten optreden, is met name afhankelijk van de stralingsdosis bij de foetus en de zwangerschapstermijn tijdens de blootstelling. 

Stralingsdosis
De stralingsdosis bij de foetus is afhankelijk van de indicatie, de specifieke isotoop, het doelorgaan, de dosis en de duur van de behandeling of diagnostiek. Als veilige ondergrens wordt een stralingsdosis van 50 mSv bij de foetus aangehouden.

Uitgebreide informatie over de stralingsdosis bij de foetus en de mogelijke nadelige effecten in iedere fase van de zwangerschap is te vinden op het (Engelstalige) informatieblad "Pregnancy and Radiation Exposure" van de Health Physics Society.

 

Laatst bijgewerkt op 07-09-2020


Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel of vaccin. Daarnaast bespreken we diverse andere risico’s voor het ongeboren kind, zoals de kans op vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. De informatie bij borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar. We gaan bij zwangerschap en borstvoeding uit van de gebruikelijke dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Of het gebruik van een geneesmiddel de beste keuze is, en welk geneesmiddel in dat geval de voorkeur heeft, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Deze informatie is bedoeld ter ondersteuning van dit overleg en kan de medische zorg niet vervangen.