Achtergrondinformatie over geneesmiddelgebruik tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Wel of geen geneesmiddelen?
Tijdens de borstvoedingsperiode is het verstandig om kritisch te kijken naar het gebruik van geneesmiddelen. Er zijn veel geneesmiddelen die veilig gebruikt mogen worden omdat ze (vrijwel) niet in de melk terechtkomen. Bij sommige middelen zijn bepaalde voorzorgsmaatregelen nodig, zoals tijdelijk kolven. Een klein aantal geneesmiddelen kan beter niet worden gecombineerd met het geven van borstvoeding.

Overgang in de melk
Belangrijke informatie is of en hoeveel van een geneesmiddel overgaat in de borstvoeding. Alleen een geneesmiddel dat in het bloed van de moeder terechtkomt, kan in de melk komen. De toedieningsvorm, de dosering, de gebruiksduur, de opname en afbraak van het geneesmiddel en het tijdstip waarop het middel wordt gebruikt spelen hierbij een rol. Zo komt er bijvoorbeeld maar weinig in de melk terecht als de dosis laag is, als het geneesmiddel lokaal (bijvoorbeeld op de huid) wordt gebruikt of als het snel wordt afgebroken.

Hoeveel komt er in de melk terecht?
De relatieve kinddosis wordt hiervoor vaak als maat gebruikt. Het geeft aan hoeveel procent van de dosis die de moeder gebruikt in de melk terechtkomt. De relatieve kinddosis wordt berekend door de geschatte dosis die het kind via de borstvoeding binnenkrijgt, te delen door de dosis die de moeder gebruikt (beide in mg per kg lichaamsgewicht per dag). Vuistregel is dat borstvoeding gegeven mag worden als de relatieve kinddosis van een geneesmiddel lager is dan 10%.

Leeftijd en gezondheid van de zuigeling
De informatie op de website slaat op borstvoeding bij een gezonde baby van 0-2 maanden oud.
Bij een prematuur kindje en/of gezondheidsproblemen is extra voorzichtigheid geboden. Een zuigeling die ouder is dan twee maanden is juist minder kwetsbaar. Dat komt omdat een wat ouder kind beter in staat is om zelf geneesmiddelen af te breken, minder gevoelig wordt voor sommige bijwerkingen en omdat het aandeel aan borstvoeding minder belangrijk wordt in het voedingspatroon (bij kinderen ouder dan 6 maanden).

Advies
Bent u op zoek naar informatie voor u zelf? Neem dan geen beslissingen alleen op basis van de informatie op deze website. Overleg het gebruik van geneesmiddelen tijdens de periode van borstvoeding altijd met uw verloskundige, arts of apotheker.

Naast de categorie-indeling in de tabel kunnen ook onderstaande adviezen nuttig zijn bij de over­weging of een geneesmiddel gebruikt mag worden tijdens de borstvoedingsperiode:

Keuze van het geneesmiddel
Indien mogelijk:

  • Kies een toedieningsweg met een lage systemische belasting, zoals op de huid of inhalatie.
  • Kies een geneesmiddel dat niet of weinig wordt uitgescheiden in de moeder­melk. Zoals geneesmiddelen met een hoge eiwitbinding, hydrofiele geneesmiddelen, zwak zure geneesmiddelen, geneesmiddelen met een molecuulgewicht groter dan 800 Dalton en geneesmiddelen met een korte halfwaardetijd.
  • Kies een geneesmiddel dat ook mag worden voorgeschreven aan kleine kin­deren.
  • Kies een geneesmiddel met een lage biologische beschikbaarheid.
  • Vermijd niet-noodzakelijke medicatie zoals kruidenpreparaten, vitamines in hoge dosering en supplementen.

Leeftijd en gezondheid van de zuigeling

  • Bij premature kinderen en bij kinderen met nier- of leverfunctiestoornissen is extra voorzichtigheid geboden. De kans op stapeling is groter, vanwege de beperkte capaciteit om het geneesmiddel af te breken en uit te scheiden. Overleg met de behandelend kinderarts voordat de moeder met medicatie start.
  • Hoe ouder het kind, hoe beter het in staat is om het geneesmiddel af te breken en uit te scheiden. De kans op stapeling en negatieve effecten is kleiner. Bovendien wordt de blootstelling in mg geneesmiddel per kg lichaamsgewicht van de baby steeds kleiner als het kind groeit. Ook zal bijvoorbeeld de bloed-hersenbarrière beter functioneren bij een ouder kind.
  • Neem het aandeel van de borstvoeding in de totale voeding mee. Als een ouder kind naast borstvoeding ook flesvoeding of vaste voeding krijgt, wordt het in verhouding minder aan het geneesmiddel blootgesteld.

Tijdstip van geneesmiddelinname

  • Adviseer het geneesmiddel direct na de borstvoeding in te nemen. Daardoor wordt de piekconcentratie vermeden en de kans op inname van een grote hoeveelheid geneesmiddel verminderd. Deze strategie werkt alleen bij geneesmiddelen met een korte halfwaardetijd en formuleringen zonder vertraagde afgifte. Bij pasgeborenen is dit advies meestal niet zinvol, omdat ze vaak en onregelmatig gevoed wor­den. 
  • Adviseer het geneesmiddel direct na de laatste voeding in te nemen, dus vlak vóór de periode van langere slaap van de baby. Bij geneesmiddelen die een­maal daags worden gedoseerd, kan deze maatregel vol­doende zijn. Adviseer eventueel de nachtvoeding te vervangen door eerder afgekolfde moedermelk of een flesvoeding.

Aanpassen van de borstvoeding

  • Als het geneesmiddel slechts eenmaal of kortdurend gebruikt wor­dt, kan de borstvoeding tijdelijk worden onderbroken. De melk moet dan tijdelijk worden afgekolfd en weggegooid. De zuigeling krijgt in die tijd flesvoeding of moedermelk die voor aanvang van het genees­middelgebruik is afgekolfd. Hoelang men de borstvoeding moet onderbreken, hangt af van het geneesmiddel. Een vuistregel is een- tot tweemaal de half­waardetijd van het geneesmiddel bij de moeder. Houd bij sterk werkzame en toxi­sche middelen vier- tot vijfmaal de halfwaardetijd aan.
  • Als bij langdurig geneesmiddelgebruik de borstvoeding toch wordt gecontinueerd, kan de borstvoeding gedeeltelijk worden vervangen door fles­voeding. Zo wordt de absolute blootstelling van de zuigeling aan het geneesmiddel beperkt.
  • Als het geneesmiddel niet gecombineerd kan worden met het geven van borstvoeding en het middel niet vervangen kan worden door een veilig alternatief, dan moet de borstvoeding worden gestaakt.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.