Aa Lettergrootte
16
 
Metoclopramide en andere dopamine-antagonisten bij misselijkheid tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Domperidon en metoclopramide kunnen waarschijnlijk veilig worden gebruikt tijdens de borstvoeding. Domperidon heeft de voorkeur boven metoclopramide.

Het gebruik van alizapride, chloorpromazine en droperidol tijdens de periode van borstvoeding kan mogelijk leiden tot nadelige effecten bij de zuigeling.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - domperidon
    • - metoclopramide
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - alizapride
    • - chloorpromazine
    • - droperidol

Domperidon
Domperidon gaat in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Het mid­del heeft nauwelijks effect op het centrale zenuwstelsel. Tot nu toe zijn er geen nade­lige effecten bij de zuigeling gemeld. Gebruik langer dan een week wordt afgeraden in verband met mogelijke cardiale bijwerkingen bij de moeder.

Metoclopramide
Metoclopramide gaat over in de moedermelk en passeert de bloed-hersenbarrière. In theorie zijn bijwerkingen mogelijk op het zich ontwikkelende centrale zenuwstelsel van de zuigeling, zoals sedatie en extrapiramidale verschijnselen. Bij enkele van de onder­zochte zuigelingen is metoclopramide aangetoond in het bloed. Meestal was het middel niet aantoonbaar. De meeste onderzoeken laten nauwelijks nadelige effecten op de zuigeling zien, maar niet alle studies hebben dit goed onderzocht.

Vanwege het risico op neurologische bijwerkingen bij de moeder mag zij metoclopramide niet langer dan vijf dagen gebruiken. Na gebruik van metoclopramide is een enkele keer het ontstaan van een postpartum depressie beschreven. Geef metoclopramide bij voorkeur niet aan vrouwen die eerder een depressie hebben doorgemaakt.

Domperidon en metoclopramide worden ook toegepast bij onvoldoende melkproductie, zie voor meer informatie Middelen bij onvoldoende melkproductie tijdens de borstvoedingsperiode

Chloorpromazine
Chloorpromazine is een fenothiazinederivaat. Fenothiazinederivaten gaan in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. Kleine kinderen zijn zeer gevoelig voor de effecten van fenothiazinederivaten. Bij de meer sederende middelen, zoals chloorpromazine, is incidenteel seda­tie en lethargie bij de zuigeling beschreven. In theorie kunnen ook extrapiramidale verschijnselen optreden, maar deze zijn nog nooit in de litera­tuur beschreven. Gebruik van chloorpromazine tijdens de borstvoeding wordt toch afgeraden. Fenothiazinederivaten zijn gecontra-indiceerd bij jonge kinderen vanwege het risico op sedatie, ademhalingsdepressie en Sudden Infant Death Syndrome (SIDS) ofwel wiegendood. Na blootstelling aan fenothiazinederivaten via de borstvoeding is SIDS of apnoe bij de zuigeling niet beschreven.

Overige middelen
Over het gebruik van alizapride en droperidol tijdens de borstvoe­ding zijn geen gegevens bekend. Beide middelen hebben een sederende werking. In theorie kan het gebruik van alizapride of droperidol tijdens de borstvoeding leiden tot sedatie of extrapiramidale verschijnselen bij de zuigeling.

Laatst bijgewerkt op 15-08-2019


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.