Middelen bij multiple sclerose (MS) tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Glatirameer, (peg)interferon bèta-1a en interferon bèta-1b kunnen waarschijnlijk veilig worden gebruikt tijdens de borstvoeding.
Over het gebruik van dimethylfumaraat, fampridine, fingolimod, natalizumab, ocrelizumab en teriflunomide tijdens de borstvoeding zijn geen tot zeer beperkte gegevens. Het is daarom niet mogelijk om een uitspraak te doen over de mogelijke risico’s.

Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - glatirameer
    • - interferon bèta-1a
    • - interferon bèta-1b
    • - peginterferon bèta-1a
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - dimethylfumaraat
    • - fampridine
    • - fingolimod
    • - natalizumab
    • - ocrelizumab
    • - teriflunomide

Glatirameer
Met gebruik van glatirameer tijdens de borstvoeding is een redelijke hoeveelheid ervaring opgedaan. Nadelige effecten op de zuigeling zijn niet gemeld. Glatirameer geeft zeer lage plasmaspiegels en gaat waarschijnlijk niet of nauwelijks over in de moedermelk. Als glatirameer toch in de moedermelk terecht komt, wordt het waarschijnlijk afgebroken in de maag van de zuigeling.

(Peg)Interferon bèta 1a en 1b
Interferon is een groot molecuul, overgang naar de melk is daardoor niet waarschijnlijk. Van interferon bèta-1a is gemeten dat het inderdaad nauwelijks in de moedermelk terecht komt. Dit geldt hoogstwaarschijnlijk ook voor interferon bèta-1b en peginterferon bèta-1a. Als deze geneesmiddelen al in de melk terecht zou komen dan is de orale absorptie vanuit de maag van de zuigeling ook nog eens minimaal. Een klinisch relevant effect bij het kind is dan ook onwaarschijnlijk.

De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.