Lettergrootte

    Geneesmiddelen bij borstvoeding

    Hoe dient u te zoeken?

    1. Geef in de zoekbalk hieronder de eerste drie letters in van de naam van het geneesmiddel
      waarnaar u op zoek bent. Wacht vervolgens totdat de uitklaplijst zichtbaar is
      (dit kan een paar seconden duren)
    2. Selecteer vervolgens in de lijst het gewenste geneesmiddel.
    3. Indien er informatie bekend is wordt direct naar de juiste informatie 'gesprongen'.
    4. Als deze manier van zoeken geen resultaat geeft, kunt u via 'control-find'
      (CTRL toets en de letter F tegelijkertijd indrukken) zoeken op (het eerste deel van) de geneesmiddelnaam
      of kunt u in het linkermenu zoeken via de 'boomstructuur'.
    Let op:
    • bij combinatiepreparaten komt u via de zoekfunctie bij één van de geneesmiddelen van het
      preparaat. De andere geneesmiddelen dienen apart opgezocht te worden.
    • sommige middelen staan op meerdere plekken in de tekst, afhankelijk van de indicatie
      en toedieningsvorm. Via de zoekfunctie komt u maar bij één van deze teksten. U kunt de
      andere teksten vinden zoals hierboven staat beschreven onder punt 4.
     

    Inleiding

    Het geven van borstvoeding heeft voordelen voor de gezondheid van de zuigeling en moeder.1 In Nederland geeft 80% van de moeders direct na de geboorte borstvoeding. Dit percentage neemt af met de leeftijd van het kind. Eén maand na de geboorte krijgt 57% van de zuigelingen nog uitsluitend borstvoeding; na drie maanden is dit 47% en na zes maanden neemt dit af tot 39% (TNO-peiling 2015).2

    Geneesmiddelen en borstvoeding

    Als een moeder tijdens de borstvoedingsperiode een geneesmiddel gebruikt, is het mogelijk dat de zuigeling via de moedermelk aan dit geneesmiddel wordt blootgesteld. Of de zuigeling hiervan nadelige effecten kan ondervinden, hangt af van een aantal fac­toren:

       de hoeveelheid van het geneesmiddel die bij het kind terechtkomt;

       de duur van toepassing;

       de aard van het geneesmiddel;

       de conditie/leeftijd van het kind.

    Als de moeder een geneesmiddel moet gebruiken, is het van belang een weloverwogen beslissing te nemen over het al dan niet voortzetten van de borstvoeding. Veel genees­middelen kunnen worden gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven. Voor som­mige middelen zijn wel bepaalde voorzorgsmaatregelen nodig, zoals in onderstaande praktische aanbevelingen wordt vermeld. Een aantal geneesmiddelen moet worden afgeraden. In dat geval kan soms worden uitgeweken naar een alternatief geneesmid­del dat wel veilig kan worden gecombineerd met het geven van borstvoeding.

    Distributie in de moedermelk

    Blootstelling van een zuigeling via de borstvoeding kan alleen plaatsvinden als het door de moeder gebruikte geneesmiddel daadwerkelijk in de moedermelk terechtkomt. Dit is afhankelijk van verschillende factoren:

       Farmacokinetiek (bij de moeder):

       toedieningsvorm en dosering;

       biologische beschikbaarheid;

       halfwaardetijd.

       Chemische eigenschappen van het geneesmiddel:

       molecuulgewicht;

       eiwitbinding;

       vetoplosbaarheid;

       zuurconstante (pKa).

    Een door de moeder ingenomen geneesmiddel doorloopt een gecompliceerd farmacoki­netisch proces voordat het in de moedermelk terecht kan komen. Alleen als een geneesmiddel in het lichaam van de moeder wordt geabsorbeerd en in de bloedbaan wordt opgenomen, kan het vervolgens in de moedermelk terechtkomen.
    Geneesmiddelen worden voornamelijk via passieve diffusie langs de alveolaire cellen vanuit het plasma van de moeder in de moedermelk uitgescheiden (enkele uitzonderin­gen daargelaten; jodium wordt bijvoorbeeld via actief transport naar de moedermelk getransporteerd en moet daarom vermeden worden). Er ontstaat een evenwicht tussen de concentratie van het geneesmiddel in het plasma van de moeder en de concentratie in de moedermelk; het geneesmiddel diffundeert in en uit de moedermelk onder invloed van de plasmaconcentratie bij de moeder. De maternale plasmaconcentratie is dus bepalend voor de mate van opname in de melk. Middelen die niet systemisch worden opgenomen (bijvoorbeeld bij lokale therapie), zullen niet in de moedermelk terechtko­men.
    Ook de chemische eigenschappen van het geneesmiddel zijn van groot belang voor het al dan niet overgaan in de moedermelk. De meeste geneesmiddelen komen in enige mate in de moedermelk terecht. Uitzonderingen zijn grote moleculen (molecuulgewicht > 800D) zoals heparine en insuline; deze kunnen de membranen niet passeren. Indien een geneesmiddel sterk aan plasma-eiwit is gebonden (dus als de vrije (ongebonden) fractie klein is), zal de uitscheiding in de moedermelk laag zijn, want alleen de onge­bonden fractie van een geneesmiddel kan in de moedermelk worden uitgescheiden.

    Moedermelk bevat ten opzichte van plasma iets meer vet (3–5%) en heeft een iets lagere pH dan plasma (de pH van moedermelk is ongeveer 7,2 en die van plasma 7,4). Zwak basische middelen raken geïoniseerd in de melk en kunnen daardoor niet terug diffunderen naar het plasma. Zwak basische geneesmiddelen (zoals barbituraten) en vetoplosbare geneesmiddelen kunnen dus gemakkelijker in de moedermelk terechtko­men dan zwak zure, hydrofiele geneesmiddelen.

    Meting van de hoeveelheid geneesmiddel in de moedermelk

    Het is belangrijk om te weten of een geneesmiddel overgaat in de moedermelk en zo ja, hoeveel er dan in terechtkomt. In de literatuur wordt een aantal verschillende methodes gebruikt om dit te berekenen. Deze methodes verschillen onderling in meetmethode en zijn niet uitwisselbaar.

       Melk/plasma ratio (M/P ratio)
    Deze methode geeft de verhouding weer tussen de concentratie van het geneesmiddel in de moedermelk en de concentratie in het maternale plasma. De M/P ratio geeft dus geen informatie over de absolute hoeveelheid genees­middel die de zuigeling binnenkrijgt. Bij een hoge M/P ratio en een lage plas­maconcentratie kan de blootstelling van de zuigeling nog steeds gering zijn.
    De M/P ratio is een momentopname. Omdat de melkconcentratie-tijdcurve altijd achterloopt op de plasmaconcentratie-tijdcurve (vanwege de tijd die nodig is voor het transport naar de moedermelk), speelt het tijdstip van mon­stername een belangrijke rol in de M/P ratio. De M/P ratio fluctueert met de tijd. Om hiervoor te corrigeren kan de M/PAUC ratio worden gebruikt.

       Melk/plasma AUC ratio (M/PAUC ratio)
    Deze methode geeft de verhouding van de area under the curve (AUC) van de melk- en plasmaspiegels weer. Om de M/PAUC te bepalen, worden er op ver­schillende tijdstippen plasma- en melkmonsters genomen waarop de genees­middelconcentratie wordt bepaald. Uit de melkconcentratie-tijdcurve en de plasmaconcentratie-tijdcurve worden de AUC's berekend. Deze verhouding geeft een betere, voor de tijd gecorrigeerde verhouding dan de M/P ratio.

       Absolute kinddosis
    De absolute kinddosis is de hoeveelheid geneesmiddel die de zuigeling via de moedermelk binnenkrijgt, uitgedrukt in mg/kg/dag. Het wordt berekend door de concentratie van het geneesmiddel in de moedermelk te vermenigvuldigen met de gedronken hoeveelheid melk. Voor de hoeveelheid melk die is gedron­ken, wordt in het algemeen een gemiddelde van 150 ml per kg lichaamsge­wicht per dag aangehouden. Voor een interpretatie van de verkregen waarde kan deze vergeleken worden met de dosering die aan neonaten of kleine kin­deren wordt voorgeschreven.

       Relatieve kinddosis
    De relatieve kinddosis geeft de verhouding weer tussen de geschatte dosis ge-neesmiddel per kg lichaamsgewicht die het kind via de borstvoeding bin­nen-krijgt (mg/kg/dag) en de dosis die de moeder krijgt (mg/kg/dag).
    Bij een relatieve kinddosis < 10% wordt in het algemeen het geven van borstvoeding acceptabel geacht.

    Omdat er veel variatie in de meetmethodes kan zijn, is het lastig om uitkomsten van verschillende studies met elkaar te vergelijken.3

    Effecten op de zuigeling

    Als een door de moeder gebruikt middel overgaat in de melk, hoeft dat niet te beteke­nen dat er ook een effect optreedt bij de zuigeling. Dit is afhankelijk van de volgende factoren:

       de concentratie van het geneesmiddel in de moedermelk;

       de hoeveelheid melk die het kind drinkt;

       de farmacokinetiek van het geneesmiddel bij het kind;

       de conditie/leeftijd van het kind.

    De concentratie van het middel in de moedermelk en de hoeveelheid melk die het kind drinkt bepalen de mate van blootstelling. Het uiteindelijke effect van deze kinddosis op de zuigeling is echter ook afhankelijk van de farmacokinetiek en de gevoeligheid van het kind.

    De absorptie en eliminatie bij zuigelingen is anders dan bij volwassenen. De lever en nieren functioneren nog niet optimaal. De lever heeft enkele weken nodig om dezelfde metabole capaciteit als die van volwassenen te krijgen. Voor de nieren duurt dit soms twee tot vijf maanden. Dit kan tot gevolg hebben dat de halfwaardetijd wordt verlengd, waardoor er stapeling kan optreden. Dit verhoogt de kans op nadelige effecten, vooral bij geneesmiddelen met een lange halfwaardetijd en/of langdurig gebruik.
    Bij pasgeborenen kunnen grotere moleculen worden geabsorbeerd door de darm dan bij volwassenen. Dit is fysiologisch bepaald, zodat de antistoffen – grote eiwitmoleculen – overgedragen kunnen worden van moeder op kind.
    Daarnaast zijn de verteringsenzymen nog maar in beperkte mate aanwezig en is de affiniteit van de neonatale plasmaproteïnen voor geneesmiddelen nog niet zo groot.

    Het effect van een geneesmiddel kan ook anders zijn bij zuigelingen. Centrale bijwer­kingen bijvoorbeeld treden sneller op bij neonaten, omdat de bloed-hersenbarrière nog niet optimaal functioneert.

    De farmacokinetiek en gevoeligheid van de neonaat worden in belangrijke mate bepaald door de leeftijd. Een pasgeboren baby is door zijn onrijpheid kwetsbaarder voor blootstelling aan een geneesmiddel dan een iets oudere baby. Bij prematuren is de capaciteit om geneesmiddelen af te breken nog kleiner en daarom een punt van extra aandacht.

    De meeste geneesmiddelen bereiken een concentratie in de moedermelk die ver bene­den de therapeutische hoeveelheid voor zuigelingen ligt. Wanneer medicatie gedurende een langere tijd wordt gebruikt, bestaat toch het risico van accumulatie en dus kans op symptomen bij de zuigeling. Daarom moet men bij herhaalde toediening van een genees­middel extra alert zijn op effecten bij de zuigeling.

    Invloed van geneesmiddelen op de melkproductie en toeschietreflex

    Sommige geneesmiddelen kunnen een effect hebben op de aanmaak van moedermelk, zowel op de kwantiteit als de kwaliteit.

    De melkproductie staat onder invloed van het hormoon prolactine, dat ervoor zorgt dat de productie op gang komt. In het begin van de borstvoedingsperiode is er een duide­lijke relatie tussen de prolactinespiegel en de hoeveelheid geproduceerde melk. Van de dopamine-antagonisten is bekend dat ze de melkproductie kunnen stimuleren door ver­hoging van de prolactinespiegel. Domperidon en metoclopramide worden dan ook soms gebruikt om de melkproductie te verhogen. Hoewel ook de fenothiazines, butyrofeno­nen, risperidon en sulpiride de hoeveelheid melk kunnen vergroten, worden deze mid­delen niet voor deze indicatie gebruikt.

    Dopamine-agonisten hebben juist een remmende werking op de melkproductie. Bromo­criptine, clomifeen, ergotamine, MAO-remmers en pyridoxine (hoge dosis) verlagen de melkproductie door hun effect op de prolactine-afgifte. Ook oestrogenen, amfetaminen en diuretica kunnen de borstvoeding onderdrukken, waarbij oestrogenen daarnaast ook de samenstelling van de melk kunnen veranderen. Sympathicomimetica kunnen even­eens de melkproductie remmen. Zij zorgen voor een verminderde bloeddoorstroming in de borst door perifere vaatvernauwing.

    De toeschietreflex (melkuitstoot) wordt beïnvloed door oxytocine. De synthese en afgifte van oxytocine in de hersenen wordt door de parasympathicus gestimuleerd en door de sympathicus geremd. Dit betekent dat centraal werkende anticholinergica (bij­voorbeeld atropine) het toeschieten van de melk kunnen verhinderen. Daarnaast ver­minderen alcohol en opiaten de melkuitstoot, doordat ze de afgifte van oxytocine in de hersenen kunnen remmen.

    Classificatie en praktische aanbevelingen

    Classificatie

    In de literatuur worden verschillende classificatiesystemen gebruikt. Hale gebruikt in Medications and Mothers’ Milk bijvoorbeeld een classificatie gebaseerd op de mogelijke risico’s voor de zuigeling.4 In andere bronnen worden geneesmiddelen niet strikt geclassificeerd. Meestal geven deze auteurs een aanbeveling of een middel al dan niet kan worden gebruikt.

    Ook in dit hoofdstuk wordt een indeling, gebaseerd op het mogelijke risico voor de zui­geling gebruikt.
    Bij de indeling is uitgegaan van de volgende omstandigheden: het betreffende genees­middel wordt in monotherapie en in de aanbevolen therapeutische dosering gebruikt door een moeder die borstvoeding geeft aan een à terme geboren baby tussen 0 en 2 maanden oud. Bij omstandigheden die hiervan afwijken, zoals een premature of zieke zuigeling of juist een oudere, gezonde zuigeling, kan een andere afweging gemaakt worden (zie ‘conditie/leeftijd van de zuigeling’).

    Bij de indeling van een geneesmiddel spelen de volgende aspecten een rol:

       de gedocumenteerde ervaring (m.a.w. gepubliceerde informatie over gebruik van het middel tijdens de borstvoeding),

       de mate waarin het middel overgaat in de melk,

       de biologische beschikbaarheid ervan bij moeder en kind,

       de mogelijke nadelige effecten van het geneesmiddel.

    Indien er nog geen informatie is over het gebruik van een geneesmiddel tijdens de borstvoeding, wordt het in principe in de categorie ‘Risico onbekend’ ingedeeld. Dat is bijvoorbeeld het geval bij nieuwe geneesmiddelen. Indien er meer informatie beschik­baar komt, wordt het middel naar een andere categorie verplaatst. Bij positieve gebruikservaring en/of informatie die onderbouwt dat relevante blootstelling van de zui­geling onwaarschijnlijk is (het middel gaat zeer beperkt over naar de melk en/of heeft een geringe biologische beschikbaarheid) komt het in een ‘veiligere’ categorie. Bij nega­tieve gebruikservaring en/of informatie die relevante blootstelling van de zuigeling aan­nemelijk maakt en een mogelijk risico kan opleveren, komt het in een minder veilige categorie. Op basis hiervan wordt de volgende indeling gebruikt:

    Categorie

    Betekenis (afhandeling)

    Meest veilig, handhaven

    Borstvoeding en geneesmiddelgebruik kunnen worden gecom­bineerd. Binnen de geneesmiddelgroep is dit middel de veilig­ste keuze. Soms kunnen meerdere geneesmiddelen binnen één groep als veiligste keuze worden beschouwd.

    Waarschijnlijk veilig

    Op basis van de beschikbare informatie lijkt er geen bezwaar tegen gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding.

    Risico onbe­kend

    Er is geen of zeer beperkte informatie over gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid.

    Mogelijk risico

    Het geneesmiddel kan mogelijk een risico opleveren voor de zuigeling. Noodzaak en mate van gebruik door de moeder dienen afgewogen te worden tegen het mogelijke risico voor het kind.

    Risico, stoppen

    Het is niet veilig om borstvoeding en geneesmiddelgebruik te combineren. Indien mogelijk kan gekozen worden voor een veiliger geneesmiddel, anders dient de borstvoeding (tijdelijk) gestopt te worden.

    Praktische aanbevelingen

    De onderstaande aanbevelingen kunnen (indien mogelijk) worden gebruikt bij de over­weging of  een geneesmiddel in combinatie met borstvoeding kan worden toegepast.

    Keuze van het geneesmiddel

       Vermijd niet-noodzakelijke medicatie zoals kruidenpreparaten, vitamines in hoge dosering en supplementen.

       Kies een toedieningsweg met een lage systemische belasting (bijvoorbeeld lokale therapie of inhalatietherapie geeft beperkte absorptie).

       Kies een geneesmiddel dat niet of weinig wordt uitgescheiden in de moeder­melk:

       geneesmiddelen met een hoge eiwitbinding;

       hydrofiele geneesmiddelen;

       zwak zure geneesmiddelen;

       geneesmiddelen met een molecuulgewicht groter dan 800 Dalton;

       geneesmiddelen met een korte halfwaardetijd.

       Kies een geneesmiddel dat ook mag worden voorgeschreven aan kleine kin­deren.

       Kies een geneesmiddel met een lage orale beschikbaarheid.

    Conditie/leeftijd van de zuigeling

       Neem in de overweging de conditie van de zuigeling mee. Extra voorzichtig­heid is geboden bij premature kinderen en/of bij kinderen met nier- en/of leverfunctiestoornissen. De kans op stapeling is dan groter. Overleg met de behandelend kinderarts is nodig voordat de moeder met medicatie start.

       Neem de leeftijd van het kind mee in de afweging. Hoe ouder het kind, hoe beter het in staat is om het geneesmiddel om te zetten en uit te scheiden, en hoe kleiner de kans op stapeling en daardoor negatieve effecten. Daarnaast zal bijvoorbeeld de bloed-hersenbarrière beter functioneren bij een ouder kind.

       Neem het aandeel van de borstvoeding in de totale voeding mee. Als een kind naast borstvoeding ook andere voeding (flesvoeding of vaste voeding) krijgt, wordt het in verhouding minder aan het geneesmiddel blootgesteld.

    Tijdstip geneesmiddelinname

       Adviseer het geneesmiddel in te nemen na de borstvoeding. Op deze wijze wordt de piekconcentratie vermeden; dit kan het risico van inname van een grote hoeveelheid geneesmiddel sterk verminderen. Bij pasgeborenen is dit advies meestal niet zinvol, omdat ze zo vaak en onregelmatig gevoed wor­den. Deze strategie werkt alleen bij geneesmiddelen met een korte halfwaar­detijd en/of bij geneesmiddelen die geen vertraagde- afgifteformulering hebben.

       Adviseer het geneesmiddel direct na de laatste voeding in te nemen, dus vlak vóór de periode van langere slaap van de baby. Bij geneesmiddelen die een­maal daags worden gedoseerd, kan een simpele maatregel als deze vol­doende zijn. Eventueel kan een nachtvoeding worden vervangen door eerder afgekolfde moedermelk of een flesvoeding.

    Aanpassen van de borstvoeding

       Als het geneesmiddel slechts eenmaal of kortdurend gebruikt hoeft te wor­den, kan geadviseerd worden om de borstvoeding tijdelijk te onderbreken. De melk wordt dus tijdelijk afgekolfd en weggegooid. De zuigeling krijgt in die tijd flesvoeding of zo mogelijk moedermelk die voor aanvang van het genees­middelgebruik is afgekolfd. Hoelang men de borstvoeding moet onderbreken, hangt af van het geneesmiddel. Een vuistregel is: een- tot tweemaal de half­waardetijd van het geneesmiddel bij de moeder. Bij sterk werkzame en toxi­sche middelen: geldt vier- tot vijfmaal de halfwaardetijd.

       Bij langdurig geneesmiddelgebruik kan er soms toch voor worden gekozen de borstvoeding te continueren en de zuigeling te observeren op nadelige effec­ten. Dit kan worden overwogen als de te verwachten effecten zeer zelden voorkomen of beperkte consequenties voor de zuigeling hebben. Ook kan overwogen worden om de borstvoeding gedeeltelijk te vervangen door fles­voeding, om hiermee de absolute blootstelling van de zuigeling aan het geneesmiddel te beperken.

       Sommige geneesmiddelen zijn vanwege de hoge concentratie in de moeder­melk of vanwege de toxiciteit gecontra-indiceerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor cytostatica, jodiden, amiodaron, radio-isotopen, lithium, ergotamine, chloor­amfenicol en goudverbindingen. Bij kortdurend gebruik kan de borstvoeding tijdelijk worden gestaakt; voor deze sterk werkzame en toxische geneesmid­delen gedurende vier- tot vijfmaal de halfwaardetijd. Bij langdurig gebruik is het aan te raden het geven van borstvoeding te stoppen.

       Als het geneesmiddel niet valt te combineren met borstvoeding en het middel niet vervangen kan worden door een veilig alternatief, dient de borstvoeding aangepast of gestaakt te worden.

    Voor meer informatie en op de patiënt gerichte risicoanalyse kunt u contact opnemen met de Teratologie Informatie Service (TIS) van het Lareb. De TIS is voor zorgverleners bereikbaar, op werkda­gen van 09.00 – 17.00 uur op telefoonnummer (073) 64 69 702.

    Voor een goede beantwoording van vragen zijn de volgende gege­vens van belang:

       geneesmiddelnaam, toedieningsvorm en dosis;

       gebruiksduur;

       indicatie;

       leeftijd en gezondheid van het kind;

       of het kind prematuur of à terme geboren is.

    Literatuur

       1.   Büchner FL, Hoekstra J, Van Rossum CTM. Health gain and economic evaluation of breastfeeding policies. RIVM report 350040002/2007; Bilthoven, 2007.

       2.   Peiling Melkvoeding van Zuigelingen 2015. TNO-rapport; Leiden, 2015. https://www.tno.nl/media/5248/peiling-melkvoeding-van-zuigelingen-2015.pdf

       3.   Begg EJ, Duffull SB, Hackett LP, Ilett KF. Studying drugs in human milk: time to unify the approach. J Hum Lact 2002; 18: 323-332.

       4.   Hale TW. Medications and Mothers’ Milk, 16th ed. Amarillo, Pharmasoft Publishing, 2014.

    Adviezen

    Centraal zenuwstelsel (psychische aandoeningen)

    De periode na de bevalling is een periode waarin vrouwen extra gevoelig zijn voor psy­chische stoornissen. Een postpartum depressie komt bij ongeveer 10–15% van de vrouwen voor. Het gebruik van antidepressiva of andere psychofarmaca hoeft geen reden te zijn om met het geven van borstvoeding te stoppen: in de meeste groepen psychofarmaca zijn geneesmiddelen te vinden die kunnen worden gebruikt. Voor alle psychofarmaca geldt dat er onvoldoende ervaring is om een uitspraak te kunnen doen over de effecten op de lange termijn. Er zijn echter tot nu toe geen duidelijke aanwijzin­gen voor nadelige effecten bij het kind op latere leeftijd door gebruik van psychofar­maca door de moeder tijdens de borstvoeding. De voorkeur gaat uit naar monotherapie in een zo laag mogelijke dosering.

    Hypnotica, sedativa, anxiolytica

    Benzodiazepines en verwante verbindingen

    Kortdurend gebruik

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk

    veilig

    Risico onbekend

    lorazepam

    lormetazepam

    oxazepam

    temazepam

    zopiclon

    alprazolam

    chloordiazepoxide

    clobazam

    clonazepam

    clorazepinezuur

    diazepam

    flunitrazepam

    midazolam

    nitrazepam

    prazepam

    triazolam

    zolpidem

    bromazepam

    brotizolam

    clotiazepam

    cloxazolam

    ethylloflazepaat

    flurazepam

    loprazolam

    nordazepam

    Langdurig gebruik

    Risico onbekend

    Risico, stoppen

    bromazepam

    brotizolam

    clotiazepam

    cloxazolam

    ethylloflazepaat

    flurazepam

    loprazolam

    nordazepam

    alprazolam

    chloordiazepoxide

    clobazam

    clonazepam

    clorazepinezuur

    diazepam

    flunitrazepam

    lorazepam

    lormetazepam

    midazolam

    nitrazepam

    oxazepam

    prazepam

    temazepam

    triazolam

    zolpidem

    zopiclon

    Met kortdurend gebruik wordt 'incidenteel gebruik' bedoeld. Incidenteel gebruik kan betekenen: eenmalig gebruik, gebruik gedurende een aantal dagen achter elkaar of een aantal keer per week. De benzodiazepines met een korte halfwaardetijd (in rubriek meest veilig) kunnen indien nodig incidenteel gebruikt worden.

    De halfwaardetijd van benzodiazepines is bij zuigelingen en jonge kinderen veel langer dan bij volwassenen. Jonge kinderen zijn extra gevoelig voor benzodiazepines. Voor alle middelen geldt dat ze zo kort mogelijk moeten worden gebruikt en men altijd alert moet zijn op bijwerkingen als sufheid en moeilijk drinken. Een eenmalige dosis is geen reden om het geven van borstvoeding te stoppen.

    Van de slaapmiddelen hebben lormetazepam, temazepam en zopiclon de voorkeur van­wege een korte halfwaardetijd en geringe uitscheiding in de moedermelk. Ook zolpidem heeft een korte halfwaardetijd en gaat in geringe mate over in de moedermelk, maar hiermee is minder ervaring.

    Indien een benzodiazepine met anxiolytische werking nodig is, heeft oxazepam de voor­keur. Lorazepam heeft een iets langere halfwaardetijd.

    Middelen met een lange halfwaardetijd (of met metabolieten met een lange halfwaarde­tijd), zoals clobazam, clorazepinezuur, diazepam, flunitrazepam, nitrazepam en praze­pam, geven een grote kans op accumulatie bij de zuigeling en dus een grotere kans op het optreden van bijwerkingen.

    Met bromazepam, brotizolam, clotiazepam, cloxazolam, ethylloflazepaat, flurazepam, loprazolam en nordazepam bestaat geen (gedocumenteerde) ervaring.

    Overige hypnotica en sedativa

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    melatonine

    valeriaan

    buspiron

    chloralhydraat

    difenhydramine

    hydroxyzine

    Melatonine is een lichaamseigen stof die wordt uitgescheiden in de moedermelk. Er is geen gedocumenteerde ervaring over het gebruik van melatonine als supplement door de moeder en de mogelijke effecten van grotere hoeveelheden melatonine in de borst­voeding.

    Er bestaat geen gedocumenteerde ervaring over het gebruik van valeriaan tijdens de periode van borstvoeding. Indien overwogen wordt valeriaan te gebruiken in combinatie met borstvoeding, gaat de voorkeur uit naar een preparaat dat alleen valeriaan bevat en geen alcohol.

    Er zijn weinig gegevens over de andere, overwegend oudere middelen. Mogelijke seda­tie van de zuigeling is de belangrijkste reden om terughoudend te zijn met het gebruik van deze middelen in combinatie met borstvoeding.

    Antipsychotica

    Over antipsychotica zijn relatief weinig gegevens bekend. Haloperidol (in een lage dose­ring) en olanzapine zijn de middelen van keuze tijdens de borstvoeding. De voorkeur gaat uit naar monotherapie in een zo laag mogelijke dosering. Over de langetermijnef­fecten is onvoldoende bekend. Als deze middelen gegeven worden tijdens de borstvoe­ding, moet de zuigeling geobserveerd worden met het oog op sedatie of irritatie, apneu, droge mond, niet wakker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapiramidale symptomen.

    Butyrofenonen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    haloperidol (max 10 mg per dag)

    benperidol

    broomperidol

    pipamperon

    haloperidol (> 10 mg per dag)

    Binnen de groep butyrofenonen is er de meeste ervaring met haloperidol. Haloperidol gaat in beperkte hoeveelheid over in de moedermelk. Tot nu toe zijn er geen nadelige effecten gemeld bij doseringen tot 10 mg per dag. Haloperidol kan de hoeveelheid melk doen toenemen door verhoging van de prolactinespiegel. Langetermijneffecten zijn onvoldoende bekend. De voorkeur gaat uit naar monotherapie in een zo laag mogelijke dosering. Als deze middelen gegeven worden tijdens de borstvoeding, moet de zuige­ling geobserveerd worden met het oog op sedatie of irritatie, apneu, droge mond, niet wakker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapiramidale symptomen.

    Fenothiazinen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    perfenazine

    flufenazine

    periciazine

    Perfenazine lijkt  op basis van één case-report in geringe hoeveelheden over te gaan in de moedermelk. Perfenazine kan tijdens het geven van borstvoeding zo nodig worden gebruikt, als de zuigeling geobserveerd wordt. Mogelijke effecten zijn sedatie of irrita­tie, apneu, droge mond, niet wakker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapiramidale symptomen.

    Flufenazine en periciazine zijn gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge kinderen van­wege het risico op sedatie, ademhalingsdepressie en de associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syndrome of wiegendood). Er zijn echter geen meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan fenothiazines via de borstvoeding.

    Fenothiazinen kunnen de hoeveelheid melk doen toenemen door stijging van de prolac­tinespiegel.

    Thioxanthenen

    Risico onbekend

    chloorprotixeen

    flupentixol

    zuclopentixol

    Thioxanthenen gaan voor zover bekend over in de moedermelk. De ervaring is zeer beperkt. Als deze middelen gegeven worden tijdens de borstvoeding, moet de zuigeling geobserveerd worden met het oog op sedatie of irritatie, apneu, droge mond, niet wak­ker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapiramidale symptomen.

    Difenylbutylaminen

    Risico onbekend

    fluspirileen

    penfluridol

    pimozide

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van difenylbutylaminen tijdens de borstvoeding. Als deze middelen gegeven worden tijdens de borstvoeding, moet de zuigeling geobserveerd worden met het oog op sedatie of irritatie, apneu, droge mond, niet wakker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapirami­dale symptomen.

    Atypische antipsychotica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    olanzapine

    quetiapine

    amisulpride

    asenapine

    lurasidon

    paliperidon

    risperidon

    sertindol

    sulpiride

    aripiprazol

    clozapine

    Er is nog zeer beperkte ervaring met deze groep antipsychotica. Als deze middelen gegeven worden tijdens de borstvoeding, moet de zuigeling geobserveerd worden met het oog op sedatie of irritatie, apneu, droge mond, niet wakker worden voor voeding, slecht drinken, aankomen in gewicht of extrapiramidale symptomen.

    Olanzapine gaat in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. Ervaring met het gebruik van olanzapine tijdens de borstvoeding laat tot nu toe bij doseringen tot 20 mg per dag geen nadelige effecten voor het kind zien. In een aantal cases die bij de fabri­kant zijn gemeld, was sprake van slaperigheid, irritatie, tremor en slapeloosheid bij de zuigeling. Het is onduidelijk of er in deze cases sprake was van eventuele co-medicatie.

    Beperkte ervaring met quetiapine wijst tot nu toe niet op nadelige effecten voor het kind. De hoeveelheid die overgaat in de moedermelk en de relatieve kinddosis lijken laag.

    Sulpiride kan de hoeveelheid melk verhogen door stijging van de prolactinespiegel. Het middel gaat in vrij grote hoeveelheden in de moedermelk over. Er bestaat een grote variatie in de relatieve kinddosis in verschillende publicaties. Tot nu toe zijn bij kortdu­rend gebruik (gedurende een aantal weken) geen negatieve effecten gezien. Sulpiride was in alle gevallen gestart om de hoeveelheid melk te verhogen en niet als antipsycho­ticum.

    Er is nog te weinig ervaring met het gebruik van lurasdon, paliperidon (de actieve meta­boliet van risperidon), risperidon, en sertinol tijdens de borstvoeding.

    Bij het gebruik van aripiprazol tijdens de borstvoeding is in een aantal gevallen slape­righeid gezien bij de zuigeling.

    Bij clozapinegebruik is er slaperigheid bij de zuigeling gemeld. Daarnaast zijn er case-reports van agranulocytose en vertraagde spraakontwikkeling.

    Overige antipsychotica

    Risico onbekend

    clotiapine

    tiapride

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van clotiapine en tiapride tijdens de borstvoeding.

    Lithium

    Mogelijk risico

    lithium(zouten)

    Lithium wordt in vrij hoge concentraties uitgescheiden in de moedermelk. Er worden relatief hoge kinddoses gezien, variërend van 12–30%.

    De halfwaardetijd is bij de pasgeborene langer dan bij de moeder. Verschijnselen van lithiumtoxiciteit kunnen optreden, zoals verminderde spiertonus, tremoren, rusteloos­heid, lethargie, drinkproblemen en cyanose. Ook kan een stijging van de thyroïd stimu­lerend hormoon (TSH)-spiegels optreden. Deze verschijnselen zijn slechts enkele keren gemeld en hingen samen met hoge lithiumspiegels bij de zuigeling. Prematuriteit en – bij een oudere zuigeling – koorts en dehydratie leken daarbij een rol te spelen. Na daling van de hoge spiegels direct postpartum (als gevolg van de blootstelling tijdens de zwangerschap) worden bij de zuigeling beduidend lagere concentraties gevonden. In de literatuur worden meerdere (minstens 24) kinderen beschreven die borstvoeding kregen en waarbij geen signalen van toxiciteit of ontwikkelingsproblemen optraden.

    Borstvoeding wordt meestal afgeraden, maar wanneer na zeer zorgvuldige afweging wordt besloten de borstvoeding te continueren, dient men het kind nauwgezet te con­troleren op mogelijke toxische verschijnselen, koorts en dehydratie. Bij het kind moeten de schildklierfunctie en de serumconcentraties van lithium zorgvuldig worden gecontro­leerd.

    Antidepressiva

    De periode na de bevalling is een periode waarin vrouwen extra gevoelig zijn voor psy­chische stoornissen. Een postpartum depressie komt bij ongeveer 10–15% van de vrouwen voor. Het gebruik van antidepressiva hoeft geen reden te zijn om met het geven van borstvoeding te stoppen. Er zijn voldoende middelen die kunnen worden gebruikt. Indien een antidepressivum moet worden voorgeschreven aan een vrouw die borstvoeding geeft, hebben – in de laagste effectieve dosering – de SSRI’s paroxetine en sertraline en tricyclische antidepressiva (met uitzondering van doxepine) de voor­keur.

    Antidepressiva gaan over het algemeen in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Tot nu toe is, in de meeste gevallen, een relatieve kinddosis van < 10% gezien. Deze waarde wordt vaak als grenswaarde beschouwd, waaronder de medicatie met de borst­voeding veilig kan worden gecombineerd.

    Er is geen ervaring op lange termijn met het gebruik van antidepressiva in combinatie met borstvoeding.

    TCA’s (tricyclische antidepressiva) en verwante verbindingen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk

    veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    nortriptyline

    amitriptyline

    clomipramine

    dosulepine

    imipramine

    maprotiline

    doxepine

    Zie hierboven de algemene informatie over antidepressiva.

    Tricyclische antidepressiva (TCA’s) gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De relatieve kinddosis is laag en de serumconcentraties bij de zuigeling zijn laag of niet aantoonbaar.

    Er zijn geen nadelige effecten op de zuigeling gemeld bij gebruik van amitriptyline, clo­mipramine, dosulepine, imipramine of nortriptyline door de moeder. De voorkeur gaat uit naar nortriptyline, omdat daarmee de meeste ervaring is.

    Bij gebruik van doxepine zijn sedatie, ademhalingsdepressie en voedingsproblemen bij de zuigeling gemeld. Over maprotiline zijn onvoldoende gegevens.

    SSRI’s (selectieve serotonineheropnameremmers)

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk

    veilig (lage dosis)

    Mogelijk risico

    (hoge dosis)

    paroxetine

    sertraline

    citalopram

    escitalopram

    fluoxetine

    fluvoxamine

    citalopram

    escitalopram

    fluoxetine

    Zie hierboven de algemene informatie over antidepressiva.

    Er is relatief veel informatie beschikbaar over de uitscheiding van SSRI's in de moeder­melk. De relatieve kinddosis is laag (< 3%) voor sertraline en paroxetine. Ook voor flu­voxamine is de relatieve kinddosis laag (< 3%), maar er is iets minder ervaring mee. Deze middelen zijn in het serum van de zuigeling slechts in zeer lage concentraties aan­wezig of niet aantoonbaar. Er zijn geen nadelige effecten bij de zuigeling gemeld na het gebruik van fluvoxamine, paroxetine en sertraline door de moeder.

    Bij citalopram en escitalopram is de relatieve kinddosis circa 5%. Met citalopram bestaat er ruime ervaring, met escitalopram is de ervaring beperkt. Bij lage (standaard therapeutische) doseringen (citalopram 20 mg per dag, escitalopram 10 mg per dag) zijn er geen nadelige effecten gemeld bij de zuigeling.

    De relatieve kinddosis van fluoxetine is redelijk hoog (tot > 10%). Door de lange half­waardetijd van fluoxetine en de werkzame metaboliet kunnen relevante spiegels bij de neonaat ontstaan. Bij gebruik van fluoxetine zijn verschillende effecten bij de zuigeling gemeld: braken en diarree, kolieken, prikkelbaarheid, slaapstoornissen en verminderde gewichtstoename. Bij een moeder die al tijdens de zwangerschap met fluoxetine werd behandeld, kan de borstvoeding worden voortgezet. Bij lage (standaard therapeutische) doseringen (20 mg) zijn nadelige effecten bij de zuigeling niet waarschijnlijk.

    Als start van een behandeling met een SSRI tijdens de borstvoeding wordt overwogen, hebben sertraline en paroxetine de voorkeur.

    Overige antidepressiva

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    duloxetine

    mirtazapine

    trazodon

    venlafaxine

    (lage dosis)

    agomelatine

    fenelzine

    tranylcypromine

    vortioxetine

    bupropion

    mianserine

    moclobemide

    reboxetine

    Sint-Janskruid

    venlafaxine
    (hoge dosis)

    Zie hierboven de algemene informatie over antidepressiva.

    Ervaring met het gebruik van de overige antidepressiva is er niet of nauwelijks.

    Zeer beperkte ervaring met duloxetine laat een lage relatieve kinddosis zien (< 1%). Dit gegegevn komt uit twee gepubliceerde case-reports waarbij direct na de geboorte borstvoeding gegeven werd. Dit is vergeleken met een studie met zes moeders, waarbij de kinderen geen borstvoeding kregen.

    Redelijke ervaring met mirtazapine laat tot nu toe geen nadelige effecten zien voor de zuigeling. De hoeveelheid die de zuigeling binnenkrijgt, lijkt gering (relatieve kinddosis circa 2%).

    Uit enkele case-reports is bekend dat trazodon in kleine hoeveelheden overgaat in de moedermelk.

    Beperkte ervaring met venlafaxine laat tot nu toe geen nadelige effecten zien voor de zuigeling. Venlafaxine en de actieve metaboliet O-desmethylvenlafaxine gaan over in de moedermelk. De gemiddelde relatieve kinddosis is 6,5% (inclusief actieve metaboliet). De maximale concentratie van venlafaxine in de moedermelk treedt over het algemeen 2–4 uur na inname op.

    Zeer beperkte ervaring met het gebruik van bupropion, met name bij kinderen ouder dan zes maanden, laat tot nu toe over het algemeen geen nadelige effecten zien. De hoeveelheid die overgaat in de moedermelk lijkt laag. Er zijn twee case-reports van kin­deren van ongeveer zes maanden waarbij insultachtige symptomen gemeld werden (in één case werd naast bupropion escitalopram gebruikt).

    MAO-remmers (moclobemide, fenelzine en tranylcypromine) gaan over in de moeder­melk.

    Er is zeer beperkte ervaring met het gebruik van Sint-Janskruid (Hypericum perfora­tum) tijdens de borstvoeding. Een lage overgang van hyperforine (één van de bestand­delen van Hypericum) in de moedermelk is gezien in enkele cases (andere bestanddelen zijn niet bepaald). In een studie met ruim dertig moeder-kind-paren werd vijf keer een bijwerking gerapporteerd; het is onduidelijk of er een relatie bestaat met het gebruik van Sint-Janskruid.

    Er zijn nauwelijks gegevens over de andere antidepressiva.

    Psychostimulantia

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    atomoxetine

    modafinil

    dexamfetamine

    methylfenidaat

    natriumoxybaat

    Er is zeer beperkte ervaring met het gebruik van methylfenidaat tijdens de borstvoe­ding. In een aantal case-reports bij oudere kinderen kon methylfenidaat niet worden aangetoond in het plasma van het kind en zijn er geen nadelige effecten gezien. Toch is men terughoudend met het geven van borstvoeding, zeker bij jonge zuigelingen. Moge­lijke nadelige effecten zijn agitatie en verminderde groei.

    Beperkte ervaring met het gebruik van dexamfetamine (in therapeutische doseringen) tijdens de borstvoeding laat tot nu toe geen nadelige effecten zien. De kinderen in de studie waren al wat ouder (3,3 tot 10 maanden). Er was een grote spreiding in de rela­tieve kinddosis, die in sommige gevallen hoger was dan 10%. Het geven van borstvoe­ding wordt afgeraden.

    Er is geen ervaring met het gebruik van atomoxetine, modafinil en natriumoxybaat tij­dens de borstvoeding. Het geven van borstvoeding wordt daarom afgeraden.

    Centraal zenuwstelsel (neurologische aandoeningen)

    Anti-epileptica

    Anti-epileptica worden meestal al tijdens de zwangerschap gebruikt. Monotherapie heeft zowel gedurende de zwangerschap als tijdens de borstvoeding de voorkeur. In het geval van polytherapie wordt het geven van borstvoeding afgeraden. Voor diverse com­binaties van anti-epileptica zijn nadelige effecten op de zuigeling gemeld (braken, seda­tie, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde zuigreflex). Alle anti-epileptica gaan -in meer of mindere mate- over in de moedermelk.

    Barbituraten

    Mogelijk risico

    fenobarbital

    primidon

    Fenobarbital en ook primidon (met als metaboliet fenobarbital) gaan in aanzienlijke hoeveelheden over in de moedermelk. Gezien de lange halfwaardetijd kan stapeling optreden. Sedatie en voedingsproblemen bij de zuigeling zijn regelmatig gemeld. Dit geldt waarschijnlijk ook voor de andere barbituraten. Borstvoeding wordt afgeraden. Indien in individuele gevallen wordt besloten de borstvoeding te continueren, moet het kind worden gecontroleerd op sufheid en slecht drinken. Bij het optreden van deze symptomen moet borstvoeding worden gestaakt.

    Succinimidederivaten

    Mogelijk risico

    ethosuximide

    Ethosuximide gaat in zodanige hoeveelheden over in de moedermelk dat subtherapeuti­sche serumconcentraties bij de zuigeling kunnen ontstaan. Borstvoeding wordt afgera­den.

    Benzodiazepines

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico, stoppen

    clonazepam
    (kortdurend)

    diazepam
    (kortdurend)

    midazolam

       (kortdurend)

    clobazam

    clonazepam
    (langdurig)

    diazepam
    (langdurig)

    midazolam

       (langdurig)

    De halfwaardetijd van benzodiazepines is bij zuigelingen en jonge kinderen veel langer dan bij volwassenen. Jonge kinderen en zuigelingen zijn extra gevoelig voor benzodia­zepines. Bij gebruik moet men alert zijn op bijwerkingen als sufheid en slecht drinken. Een eenmalige dosis is geen reden om de borstvoeding te stoppen.

    Middelen met een lange halfwaardetijd (of met metabolieten met een lange halfwaarde­tijd), zoals clobazam, clonazepam en diazepam, geven bij langdurig gebruik een grote kans op accumulatie bij de zuigeling en hebben dus een grotere kans op het optreden van bijwerkingen; het kind moet dan dus goed worden gecontroleerd op sufheid, bra­ken en slecht drinken. Midazolam (nasaal, oromucosaal, intraveneus toegepast bij sta­tus epilepticus) heeft een kortere halfwaardetijd dan de andere genoemde benzodiazepines. Bij langdurig gebruik van deze middelen wordt combinatie met borst­voeding afgeraden

    Voor verdere informatie over benzodiazepines, zie ook Benzodiazepines en verwante verbindingen.

    Overige anti-epileptica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    carbamazepine

    fenytoïne

    gabapentine

    lamotrigine

    levetiracetam

    oxcarbazepine

    valproïnezuur

    lacosamide

    perampanel

    pregabaline

    retigabine

    rufinamide

    stiripentol

    tiagabine

    topiramaat

    vigabatrine

    felbamaat

    zonisamide

    Indien tijdens de borstvoeding wordt besloten een anti-epilepticum te gebruiken, wordt aangeraden het kind goed te observeren op mogelijke farmacologische effecten. Als er symptomen optreden die kunnen worden geassocieerd met de maternale medicatie, wordt geadviseerd de serumconcentratie bij de zuigeling te bepalen. Gebruik van poly­therapie wordt afgeraden.

    Carbamazepine, fenytoïne en valproïnezuur gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Deze middelen kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Ruime ervaring met lamotriginegebruik tijdens de borstvoedingsperiode laat zien dat het middel in relatief grote hoeveelheden overgaat in de moedermelk. Bij zuigelingen werden concentraties gemeten die mogelijk tot farmacologische effecten kunnen leiden. De gemeten relatieve kinddoseringen variëren sterk. Nadelige effecten bij de zuigelin­gen zijn niet vaak gemeld. Er is eenmaal apneu bij een zuigeling waargenomen (bij een maternale dosering van 850 mg per dag) en in een klein aantal gevallen een tijdelijke stijging van de leverenzymwaarden of milde trombocytose. Borstvoeding in combinatie met lamotriginegebruik moet zorgvuldig worden afgewogen. Indien in individuele geval­len wordt besloten de borstvoeding te continueren, moet het kind worden gecontroleerd op huiduitslag, sufheid en slecht drinken. Bloedspiegels bij het kind kunnen indien nodig worden bepaald.

    Beperkte ervaring met het gebruik van levetiracetam tijdens de borstvoeding laat zien dat het geneesmiddel overgaat in de moedermelk en lage plasmaconcentraties geeft bij de zuigelingen. In een case-report wordt hypotonie gemeld na polytherapie met feny­toïne en valproïnezuur. Ook is sedatie gemeld bij gebruik samen met clobazam. Verder werden in diverse studies geen nadelige effecten gezien.

    Beperkte ervaring met oxcarbazepine tijdens de borstvoeding laat tot nu toe geen nadelige effecten zien.

    Zeer beperkte ervaring met het gebruik van topiramaat tijdens de borstvoedingsperiode laat geen nadelige effecten zien, behalve een melding van diarree bij een zes weken oude zuigeling, mogelijk gerelateerd aan het maternale topiramaatgebruik.

    Er zijn enkele gevallen beschreven van maternaal gebruik van gabapentine tijdens de borstvoeding. Gabapentine lijkt in kleine hoeveelheden over te gaan in de moedermelk. De plasmaspiegels bij de zuigelingen waren laag.

    Vanwege de mogelijke (bloed- en lever-)toxiciteit van felbamaat, dient dit middel niet gecombineerd te worden met borstvoeding. Data over gebruik tijdens de borstvoeding zijn niet beschikbaar.

    Zonisamide gaat in grote hoeveelheden in de borstvoeding over met een relatieve kind­dosis van rond 30-35% en heeft daarnaast een lange halfwaardetijd van ongeveer 63 uur. Er is zeer beperkte gebruikservaring in de borstvoedingsperiode, vooral met gedeeltelijke borstvoeding gecombineerd met flesvoeding. Er zijn geen nadelige effec­ten bij de zuigelingen gerapporteerd. Bij direct gebruik door jonge kinderen is oligohy­drose en hyperthermie waargenomen. Het gebruik van zonisamide wordt afgeraden wanneer er volledige borstvoeding wordt gegeven.

    Met de overige anti-epileptica is nog onvoldoende ervaring.

    anti-Parkinsonmiddelen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    biperideen

    apomorfine

    entacapon

    orfenadrine

    pramipexol

    procyclidine

    rasagiline

    ropinirol

    rotigotine

    selegiline

    tolcapon

    trihexyfenidyl

    amantadine

    bromocriptine

    levodopa 
    + benserazide

    levodopa 
    + carbidopa

    pergolide

    Deze middelen zullen nauwelijks worden voorgeschreven aan vrouwen die borstvoeding geven. Van de meeste anticholinergica (orfenadrine, procyclidine en trihexyfenidyl) zijn geen gegevens bekend over de veiligheid tijdens de borstvoeding. Voor biperideen zijn geen nadelige effecten bij de zuigeling gemeld. Indien een antiparkinsonmiddel nodig is tegen medicamenteus veroorzaakte extrapiramidale stoornissen, heeft biperideen de voorkeur.

    Van meerdere antiparkinsonmiddelen is bekend dat zij de melkproductie kunnen rem­men. Dat geldt in het bijzonder voor de dopamine-agonisten amantadine, bromocrip­tine, levodopa (in combinatie met benserazide of carbidopa) en pergolide. Deze middelen dienen daarom niet gebruikt te worden tijdens de borstvoeding. Bromocrip­tine is tevens geregistreerd om borstvoeding te voorkomen of te onderdrukken, zie ook Antihormonen. Ook voor biperideen, pramipexol, rasagiline, ropinirol en rotigotine geldt dat ze de melkproductie kunnen remmen.

    Middelen bij multiple sclerose

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    glatirameer

    interferon bèta-1a

    interferon bèta-1b

    dimethylfumaraat

    fampridine

    fingolimod

    natalizumab

    teriflunomide

    Met gebruik van glatirameer tijdens de borstvoeding is een redelijke hoeveelheid erva­ring. Er zijn geen nadelige effecten op de zuigeling gemeld. Glatirameer is een groot molecuul; als dit al overgaat naar de moedermelk wordt het waarschijnlijk afgebroken in de maag van de zuigeling.

    Interferon bèta-1a geeft een zeer lage relatieve kinddosis. Er wordt aangenomen dat de orale absorptie van dit grote molecuul minimaal is, waardoor een klinisch relevant effect bij het kind onwaarschijnlijk is. Dit geldt ook voor interferon beta-1b. Met het gebruik van dimethylfumaraat, fampridine, fingolimod, interferon bèta-1b, natalizumab en teri­flunomide tijdens de borstvoeding is geen tot zeer beperkte ervaring.

    Middelen bij amyotrofe laterale sclerose

    Risico onbekend

    riluzol

    Er zijn nog geen gegevens over het gebruik van riluzol tijdens de borstvoeding.

    Vertigomiddelen

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    betahistine

    piracetam

    cinnarizine

    flunarizine

    Van betahistine, flunarizine en piracetam zijn geen gegevens bekend. Cinnarizine gaat over in de moedermelk, maar verdere gegevens ontbreken. Doordat cinnarizine en flu­narizine sederend zijn, is er een mogelijk risico voor de neonaat bij gebruik tijdens de borstvoeding. Bij gebruik van flunarizine zou, gezien de lange halfwaardetijd van onge­veer 19 dagen, stapeling kunnen optreden.

    Migrainemiddelen

    Aanvalsbehandeling

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    paracetamol
    (+ coffeïne)

    eletriptan

    sumatriptan

    almotriptan

    dihydro-ergota­mine

    frovatriptan

    naratriptan

    rizatriptan

    zolmitriptan

    ergotamine

    Paracetamol, eventueel met coffeïne, heeft de voorkeur bij een aanvalsbehandeling. Als anti-emeticum kan metoclopramide (eenmalig) worden gebruikt.

    Sumatriptan gaat in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. De relatieve kinddo­sis is 3,5% na subcutane injectie van 6 mg. Door de geringe biologische beschikbaar­heid na orale toediening, is het niet waarschijnlijk dat de zuigeling er nadelige gevolgen van ondervindt, maar gegevens hierover ontbreken. Na gebruik van sumatriptan zou eventueel vervanging van de eerste voeding overwogen kunnen worden, gezien de korte halfwaardetijd van 2 a 3 uur.

    In één studie is gevonden dat eletriptan in zeer kleine hoeveelheden overgaat in de moedermelk, na een eenmalige toediening van een tablet van 80 mg. Het lijkt onwaar­schijnlijk dat een dergelijke blootstelling leidt tot klinisch relevante spiegels bij de zui­geling.

    Er zijn geen gegevens bekend over de andere triptanen.

    Langdurig gebruik van ergotamine kan een nadelig effect op de hoeveelheid borstvoe­ding hebben. Tevens kan langdurig gebruik symptomen zoals braken en diarree bij het kind veroorzaken.

    Profylaxe

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    amitriptyline

    metoprolol

    propranolol

    valproïnezuur

    methysergide

    pizotifeen

    topiramaat

    clonidine

    flunarizine

    Amitriptyline en valproïnezuur in lage dosering kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt (zie ook TCA’s (tricyclische antidepressiva) en verwante verbindingen of zie Overige anti-epileptica).

    Clonidine gaat over in de moedermelk. De dosering van clonidine bij migraine is meestal zo laag dat er geen problemen zijn te verwachten. Er is een melding van neo­natale hypotonie en somnolentie na gebruik van clonidine (0,15 mg per dag voor hyper­tensie; ook bij migraineprofylaxe kan deze maximumdosering voorkomen) in de zwangerschap en (aansluitend) tijdens de borstvoeding. Clonidine kan daarnaast een nadelig effect op de melkproductie hebben door verlaging van de prolactinespiegels, vooral direct postpartum.

    Metoprolol en propranolol gaan slechts in kleine hoeveelheden in de moedermelk over. Ondanks de geringe blootstelling is het raadzaam om de zuigeling op sufheid, futloos­heid, bleekheid en slecht drinken  te controleren.

    Pizotifeen gaat over in de moedermelk, maar het is onbekend of de zuigeling hiervan nadelige gevolgen ondervindt.

    Zeer beperkte ervaring met het gebruik van topiramaat tijdens de borstvoedingsperiode laat geen nadelige effecten zien, behalve een melding van diarree bij een zes weken oude zuigeling, mogelijk gerelateerd aan het maternale topiramaatgebruik.

    Er zijn geen gegevens over flunarizine en methysergide tijdens de borstvoeding. Methy­sergide is een ergotalkaloïde. Langdurig gebruik kan -in theorie- een nadelig effect op de hoeveelheid borstvoeding hebben en dient dus vermeden te worden.
    Doordat flunarizine sederend is, kan er een risico zijn voor de neonaat bij gebruik tij­dens de borstvoeding. Gezien de lange halfwaardetijd van flunarizine (ongeveer 19 dagen) zou stapeling kunnen optreden.

    Anesthetica en spierrelaxantia

    Anesthetica

    Algehele anesthetica

    Inhalatie-anesthetica

    Waarschijnlijk veilig

    desfluraan

    distikstofoxide (lachgas)

    enfluraan

    isofluraan

    sevofluraan

    Van de gehalogeneerde inhalatie-anesthetica zijn geen gegevens bekend over de over­gang in de borstvoeding. Deze middelen hebben echter een zeer korte plasmahalfwaar­detijd. Desfluraan, isofluraan en sevofluraan worden snel via de longen uitgescheiden. Van enfluraan wordt 80% binnen 24 uur via de longen uitgescheiden; de rest wordt gemetaboliseerd. De hoeveelheid die in de melk terechtkomt is hoogstwaarschijnlijk klein. Bovendien wordt nauwelijks absorptie verwacht bij de zuigeling, wanneer deze een van deze middelen binnenkrijgt via de melk. Borstvoeding is dan ook geen bezwaar. Dit geldt ook voor distikstofoxide (N2O; lachgas).

    Intraveneuze anesthetica

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    propofol

    thiopental

    (es)ketamine

    etomidaat

    methohexital

    s

    De algehele anesthetica propofol en thiopental zijn zonder bezwaar te gebruiken bij incidentele toepassing. Ze worden weliswaar in kleine hoeveelheden in de moedermelk uitgescheiden, maar de kans op een nadelig effect bij de zuigeling is gering.

    Van (es)ketamine, etomidaat en methohexital zijn weinig gegevens bekend. In het algemeen geldt dat slechts geringe hoeveelheden in de melk terechtkomen en borst­voeding mag worden gegeven zodra de moeder weer voldoende bij bewustzijn is om haar kind zelf aan te leggen.

    Lokaal-anesthetica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    lidocaïne (huid, oor, oog)

    articaïne

    bupivacaïne

    levobupivacaïne

    lidocaïne (injectie)

    pramocaïne

    cinchocaïne

    mepivacaïne

    oxybuprocaïne

    proxymetacaïne

    ropivacaïne

    tetracaïne

    prilocaïne

    Lokaal-anesthetica worden in diverse toedieningsvormen en via verschillende toedie­ningswegen toegepast. De werking is echter altijd lokaal.

    Lokaal-anesthetica in injectievorm, zoals bupivacaïne, lidocaïne en waarschijnlijk ook articaïne, gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk.
    Over cinchocaïne, levobupivacaïne, mepivacaïne, oxybuprocaïne, proxymetacaïne, pri­locaïne, ropivacaïne en tetracaïne is weinig bekend.
    Prilocaïne komt waarschijnlijk ook slechts in geringe mate in de moedermelk terecht, maar gezien het theoretisch risico op methemoglobinemie bij de zuigeling, kan het gebruik hiervan beter worden vermeden.

    Lokaal-anesthetica in combinatie met adrenaline vormen geen probleem.

    Lokaal-anesthetica in dermale toedieningsvorm zijn toepasbaar, mits men ervoor zorgt dat de zuigeling niet met de crème of zalf in aanraking komt. Deze moet voor het voe­den goed worden afgewassen, zie ook Middelen bij huidaandoeningen.

    Voor lokaal anesthetica in oculaire of auriculaire toedieningsvormen, zie ook Overige ophthalmologica of zie ook Middelen bij ooraandoeningen.

    Spierrelaxantia en middelen bij aandoeningen met spierzwakte

    Middelen bij spierspasmen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    baclofen

    botuline A toxine

    dantroleen

    hydrokinine

    tizanidine

    Ondanks het ontbreken van gedocumenteerde ervaring (slechts 1 case report) geeft de fabrikant aan dat baclofen weliswaar overgaat in de moedermelk, maar dat dit zulke kleine hoeveelheden zijn, dat door het gebruik van therapeutische doses door de moe­der geen ongewenste effecten voor de zuigeling te verwachten zijn. Intrathecale toedie­ning van baclofen geeft een veel lagere systemische belasting dan orale toediening (de systemische beschikbaarheid van de intrathecale toediening bedraagt slechts 1% van de beschikbaarheid na orale toediening). Bij intrathecale toediening zijn om die reden nog minder ongewenste effecten voor de zuigeling te verwachten.

    Met botuline A toxine is zeer beperkte ervaring tijdens de borstvoeding. Na intramuscu­laire toediening wordt nauwelijks systemische blootstelling bij de moeder en geen rele­vante overgang naar de melk verwacht.

    Er zijn geen of onvoldoende gegevens over het gebruik van dantroleen, hydrokinine en tizanidine.

    Spierverslapping in de chirurgie

    Waarschijnlijk veilig

    atracurium

    cisatracurium

    mivacurium

    rocuronium

    suxamethonium

    Spierverslappende middelen die in de chirurgie worden toegepast, hebben een (zeer) korte halfwaardetijd, worden nauwelijks in de moedermelk uitgescheiden en bovendien niet tot nauwelijks geresorbeerd in het maagdarmstelsel van het kind. Borstvoeding is dan ook toegestaan.

    Cholinesteraseremmers

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    pyridostigmine

    neostigmine

    distigmine

    Neostigmine en pyridostigmine zijn door zogende moeders met myasthenia gravis zon­der problemen voor de zuigeling gebruikt. Er zijn geen gegevens voor distigmine.

    Overige middelen

    Risico onbekend

    amifampridine

    Er is geen ervaring met het gebruik van amifampridine tijdens de borstvoeding.

    Bloed

    Middelen bij anemie

    Meest veilig, handhaven

    foliumzuur

    hydroxocobalamine
    (vitamine B12-injectie)

    ijzerpreparaten

    Foliumzuur komt in de moedermelk voor in een concentratie van ongeveer 50 mg/l. Een foliumzuurdeficiëntie bij de moeder leidt niet of nauwelijks tot een verlaagde folium­zuurspiegel in de moedermelk. Inname van 5 mg foliumzuur per dag verhoogt de moe­dermelkconcentratie met slechts enkele microgrammen.

    Ook voor ijzerpreparaten geldt dat een deficiëntie of suppletie van ijzer bij de moeder geen noemenswaardig effect heeft op de hoeveelheid ijzer in de moedermelk.

    Lipidenverlagende middelen

    Lipidenverlagende middelen worden afgeraden tijdens de borstvoeding vanwege de beperkte ervaring, maar ook omdat in het algemeen de prognose voor de moeder niet lijkt te verslechteren wanneer deze therapie tijdelijk wordt onderbroken (gedurende de periode van zwangerschap en borstvoeding). Daarnaast is cholesterol een essentieel bestanddeel voor de ontwikkeling van de baby en kan het gebruik van lipidenverla­gende middelen in theorie leiden tot een lagere concentratie van cholesterol in de moe­dermelk.

    Statines

    Risico onbekend

    atorvastatine

    fluvastatine

    pravastatine

    rosuvastatine

    simvastatine

    De cholesterolsyntheseremmer fluvastatine gaat volgens de fabrikant over in de moe­dermelk, hoewel documentatie daarover ontbreekt. Er is wel documentatie over de overgang van pravastatine en rosuvastatine  in de moedermelk, maar niet over het gebruik ervan tijdens de borstvoeding. In theorie zou een effect op de cholesterolsyn­these bij de zuigeling kunnen optreden. Er zijn geen gegevens over het gebruik van atorvastatine en simvastatine tijdens de borstvoeding. zie ook Lipidenverlagende mid­delen voor meer informatie.

    Fibraten

    Risico onbekend

    bezafibraat

    ciprofibraat

    fenofibraat

    gemfibrozil

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van fibraten tijdens de borstvoeding. zie ook Lipidenverlagende middelen voor meer informatie.

    Galzuurbindende harsen

    Waarschijnlijk vei­lig

    colesevelam

    colestipol

    colestyramine

    Colesevelam, colestipol en colestyramine werken lokaal in de darmen en worden niet of nauwelijks systemisch opgenomen: overgang naar de melk is dan ook niet te verwach­ten. Directe blootstelling van de zuigeling aan deze middelen via de melk is daarom zeer onwaarschijnlijk. Wel is er een kans op maternale deficiëntie van vetoplosbare vitaminen. De galzuurbindende harsen verstoren namelijk opname uit het maagdarm­kanaal van verschillende voedingsstoffen, inclusief de vetoplosbare vitaminen (A, D, E en K). Dit zou in theorie tot lagere melkconcentraties van deze vitaminen kunnen lei­den. zie ook Lipidenverlagende middelen voor meer informatie.

    Overige lipidenverlagende middelen

    Risico onbekend

    acipimox

    ezetimibe

    lomitapide

    xantinolnicotinaat

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van acipimox, ezetimibe, lomitapide en xanti­nolnicotinaat tijdens de borstvoeding. zie ook Lipidenverlagende middelen voor meer informatie.

    Antithrombotica en trombolytica

    Trombocytenaggregatieremmers

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    acetylsalicylzuur, max. 80 mg/dag

    carbasalaatcalcium, max. 100 mg/dag

    abciximab

    cangrelor

    clopidogrel

    dipyridamol

    eptifibatide

    prasugrel

    ticagrelor

    ticlopidine

    tirofiban

    Acetylsalicylzuur en carbasalaatcalcium gaan in kleine hoeveelheden over in de moe­dermelk. Beide middelen kunnen tijdens de borstvoeding in lage doseringen worden gebruikt. Dipyridamol gaat volgens de fabrikant ook in geringe mate over in de moedermelk. Er zijn tot nu toe geen nadelige gevolgen voor de zuigeling gerapporteerd. Het is niet bekend of clopidogrel overgaat in de moedermelk.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van de overige middelen tijdens de borstvoeding.

    Cumarines

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    acenocoumarol

    fenprocoumon

    warfarine

    Acenocoumarol gaat niet of nauwelijks over in de moedermelk. Dit geldt ook voor fen­procoumon en warfarine, ondanks de langere halfwaardetijd. Een nadelige invloed op de stollingsactiviteit van de zuigeling is nooit gevonden. Bovendien krijgen borstge­voede baby’s dagelijks al standaard vitamine K ter voorkoming van bloedingen. Daarom kan borstvoeding gehandhaafd blijven wanneer vrouwen met deze cumarinederivaten worden behandeld. Acenocoumarol heeft de voorkeur vanwege de korte halfwaardetijd.

    Heparines

    Meest veilig, handhaven

    dalteparine

    danaparoïde

    enoxaparine

    heparine

    nadroparine

    tinzaparine

    Heparine gaat vanwege de molecuulgrootte niet over in de moedermelk.

    Ook bij de laagmoleculairgewicht heparines (LMWH) wordt overgang in de melk groten­deels voorkomen door de molecuulgrootte. Als heparine of LMWH toch in de moeder­melk terecht zouden komen, zijn effecten bij de zuigeling niet te verwachten, omdat deze middelen in het maagdarmkanaal worden geïnactiveerd. In studies met daltepa­rine is weinig tot niets in de moedermelk aangetroffen. Een studie met enoxaparine laat geen effect zien op de bloedstolling van het kind. Borstvoeding kan worden gehand­haafd.

    Er zijn geen gegevens bekend over borstvoeding tijdens het gebruik van danaparoïde. Maar gezien de molecuulgrootte van dit laagmoleculaire heparinoïde is overgang in de moedermelk onwaarschijnlijk. Als danaparoïde toch in de moedermelk terecht zou komen, zijn effecten bij de zuigeling niet te verwachten, omdat het middel in het maag­darmkanaal wordt geïnactiveerd.

    Trombolytica

    Risico onbekend

    alteplase

    anistreplase

    streptokinase

    tenecteplase

    urokinase

    De indicaties van alteplase, anistreplase, streptokinase, tenecteplase en urokinase zijn ernstige, acute situaties, zoals myocardinfarct, longembolie en herseninfarct. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er in deze situaties borstvoeding wordt gegeven. Er zijn geen gegevens over borstvoeding tijdens het gebruik van deze middelen.

    Overige anticoagulantia

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    antitrombine III

    bivalirudine

    fondaparinux

    apixaban

    argatroban

    dabigatran

    edoxaban

    rivaroxaban

    Antitrombine III, bivalirudine en fondaparinux hebben een molecuulgrootte die over­gang in de moedermelk bemoeilijkt, en worden waarschijnlijk in het maagdarmkanaal geïnactiveerd.

    Van de overige middelen is onduidelijk of ze over kunnen gaan in de moedermelk.

    Haemostatica

    Meest veilig,

    handhaven

    Risico onbekend

    fytomenadion
    (vitamine K)

    eltrombopag

    protamine

    tranexaminezuur

    De darmflora van pasgeborenen is pas na drie maanden in staat om voldoende vitamine K aan te maken. Borstvoeding bevat maar heel weinig vitamine K. Daarom hebben zui­gelingen die borstvoeding krijgen de eerste drie maanden extra vitamine K nodig. Gebruik van fytomenadion door de moeder maakt hierbij geen verschil. Hoewel het middel (in kleine hoeveelheden) over kan gaan in de moedermelk, vindt er waarschijn­lijk minimale opname plaats in het maagdarmkanaal van de zuigeling.

    Tranexaminezuur gaat in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. Het middel is zonder nadelige gevolgen gebruikt door moeders van oudere zuigelingen (gemiddeld 4 maanden oud). Ervaring met jongere zuigelingen ontbreekt nog.

    Er zijn geen data over borstvoeding tijdens het gebruik van eltrombopag en protamine.

    Bloedgroeifactoren

    Waarschijnlijk veilig

    darbepoëtine

    epoëtine alfa

    epoëtine bèta

    epoëtine zèta

    methoxypolyethyleen­glycol-epoëtine bèta

    Er is weinig ervaring met het gebruik van erytropoëtische groeifactoren tijdens de borstvoeding. Erytropoëtische groeifactoren hebben een hoog molecuulgewicht. Op grond hiervan is niet te verwachten dat deze middelen overgaan in de moedermelk. Daarnaast worden ze in het maagdarmkanaal van de zuigeling afgebroken, mocht er toch enige blootstelling via de melk zijn.

    Tractus circulatorius

    Bèta-blokkers

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    labetalol

    metoprolol

    propranolol

    betaxolol

    bisoprolol

    carvedilol

    celiprolol

    esmolol

    nebivolol

    pindolol

    acebutolol

    atenolol

    sotalol

    Labetalol, metoprolol en propranolol kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt. Labetalol en propranolol gaan slechts in kleine hoeveelheden in de moedermelk over. Metoprolol gaat weliswaar iets meer over in de moedermelk, maar de absolute bloot­stelling voor het is kind laag. Ondanks de geringe blootstelling blijft het raadzaam om de zuigeling op hypotensie, zwakte en bradycardie te controleren.

    Acebutolol, atenolol en sotalol hebben een lage eiwitbinding en kunnen in aanzienlijke hoeveelheden in de moedermelk overgaan. Excretie vindt plaats via de nieren. Daarom wordt het gebruik tijdens de lactatieperiode bij prematuren en neonaten afgeraden.

    Bij gebruik van sommige bèta-blokkers (met name acebutolol en atenolol, en mogelijk ook sotalol) tijdens de borstvoeding zijn bij de zuigeling de typische bèta-blokkade-effecten gemeld, zoals bradycardie, sedatie, ademhalingsproblemen, lage lichaamstem­peratuur en te lage bloedglucosespiegels. Bij gebruik van labetalol, metoprolol en pro­pranolol zijn deze effecten tot nu toe nog niet gemeld.

    Er zijn onvoldoende gegevens over de overige bèta-blokkers.

    Diuretica

    Diuretica kunnen de borstvoeding onderdrukken en moeten daarom zo veel mogelijk worden vermeden, met name wanneer de borstvoeding moeilijk op gang is gekomen.

    Thiaziden en verwante verbindingen

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    hydrochloorthiazide

    altizide

    indapamide

    chloortalidon

    Van hydrochloorthiazide is bekend dat het slechts in kleine hoeveelheden in de moeder­melk overgaat. Aangeraden wordt een lage dosering (≤ 50 mg) aan te houden en de melkproductie te observeren.

    Het gebruik van chloortalidon wordt afgeraden vanwege de lange halfwaardetijd en mogelijke accumulatie bij het kind.

    Er zijn geen gegevens over altizide en indapamide bekend.

    Lisdiuretica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    furosemide

    bumetanide

    torasemide

    Nadelige effecten van furosemide op de zuigeling zijn tot nu toe niet gemeld. De biolo­gische beschikbaarheid bij pasgeborenen is bovendien zeer slecht.

    Van de overige lisdiuretica zijn geen of onvoldoende gegevens bekend.

    Kaliumsparende diuretica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    canrenoïnezuur

    spironolacton

    amiloride + hydrochloor­thiazide

    altizide + spironolacton

    eplerenon

    triamtereen

    triamtereen + epitizide

    triamtereen + hydrochloor­thiazide

    Spironolacton en de metaboliet canrenoïnezuur gaan slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Deze middelen kunnen in lage dosering worden gebruikt.

    Over het gebruik van altizide, amiloride, eplerenon en triamtereen tijdens de borstvoe­ding zijn geen gegevens bekend. Ook is niet bekend of deze stoffen overgaan in de moedermelk.

    Calciumantagonisten

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    nicardipine

    nifedipine

    nimodipine

    nitrendipine

    verapamil

    amlodipine

    barnidipine

    diltiazem

    felodipine

    isradipine

    lacidipine

    lercanidipine

    nisoldipine

    Verapamil gaat over in de moedermelk. De relatieve kinddosis bij gebruik tijdens de borstvoeding is echter laag. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten bij de zuigeling gemeld.

    Ook de relatieve kinddosis van nicardipine en nifedipine is laag. Op basis hiervan zijn nadelige effecten bij de zuigeling niet te verwachten.

    Nimodipine en nitrendipine lijken ook slechts in kleine hoeveelheden over te gaan in de moedermelk, maar er is minder gedocumenteerde ervaring beschikbaar dan met nicar­dipine en nifedipine.

    Diltiazem gaat over in de moedermelk. De relatieve kinddosis is echter laag. Er is nog weinig gedocumenteerde ervaring.

    Amlodipine gaat over in de moedermelk. Er is echter beperkte ervaring met het gebruik ervan tijdens de borstvoeding. In een studie was er sprake van een interindividuele variatie in de concentratie van amlodipine in de moedermelk; soms kan deze concentra­tie hoog zijn. De gemiddelde relatieve kinddosis was 4,2%, met als hoogste waarde 15,2%. Nadelige effecten zijn nog niet gemeld.

    Met de overige calciumantagonisten is geen tot weinig ervaring.

    RAS-remmers

    ACE-remmers

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    benazepril

    captopril

    enalapril

    quinapril

    cilazapril

    fosinopril

    lisinopril

    perindopril

    ramipril

    trandolapril

    zofenopril

    Benazepril, captopril, enalapril en quinapril komen slechts in zeer kleine hoeveelheden in de moedermelk terecht. Ze kunnen eventueel worden gebruikt wanneer andere anti­hypertensiva geen effect hebben. Voorzichtigheid is geboden bij prematuren in verband met mogelijke renale toxiciteit.

    Van de overige ACE-remmers zijn geen gegevens bekend.

    Angiotensine-II-antagonisten

    Risico onbekend

    candesartan

    eprosartan

    irbesartan

    losartan

    olmesartan

    telmisartan

    valsartan

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van angiotensine-II-antagonisten tij­dens de borstvoeding. Extra voorzichtigheid is geboden bij gebruik direct postpartum en bij moeders met prematuur geboren kinderen, vanwege mogelijke renale toxiciteit.

    Overige RAS-remmers

    Risico onbekend

    aliskiren

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van aliskiren tijdens de borstvoeding.

    Nitraten

    Risico onbekend

    isosorbidedinitraat

    isosorbidemononitraat

    nicorandil

    nitroglycerine

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van nitraten tijdens de borstvoeding. Het is de vraag of nadelige effecten op de zuigeling te verwachten zijn bij kortdurend oromucosaal gebruik, gezien de korte halfwaardetijd. Zo nodig zou één voeding kunnen worden vervangen. Chronisch gebruik wordt ontraden in verband met het risico op hypotensie bij de zuigeling. Kinderen zijn tot de leeftijd van 6 maanden extra gevoelig voor nitraten. Nitraten kunnen een gevoeligheid voor methemoglobinemie veroorzaken.

    Antihypertensiva

    Zie ook algemene hoofdstukken: zie Bèta-blokkers, zie Diuretica, zie Calciumantagonis­ten, of zie RAS-remmers.

    Centraal aangrijpende antihypertensiva

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    methyldopa

    moxonidine

    clonidine

    Er is geen bezwaar tegen het gebruik van methyldopa tijdens het geven van borstvoe­ding. Er gaat weinig methyldopa over in de moedermelk. Methyldopa kan de hoeveel­heid melk doen toenemen door verhoging van de prolactinespiegel.

    Voor zover bekend gaat moxonidine in relatief grote hoeveelheden over in de moeder­melk.
    Clonidine gaat ook over in de moedermelk en kan de hoeveelheid melk, vooral direct postpartum, doen afnemen door verlaging van de prolactinespiegels. Er is een melding van neonatale hypotonie en somnolentie na gebruik van clonidine (0,15 mg per dag) tijdens de zwangerschap en (aansluitend) de borstvoeding en gebruik wordt dan ook afgeraden.

    Selectieve alfa-1-sympathicolytica

    Risico onbekend

    doxazosine

    ketanserine

    prazosine

    terazosine

    urapidil

    Prazosine en doxazosine gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De erva­ring met deze middelen is zeer beperkt.

    Er is geen ervaring met het gebruik van ketanserine, terazosine en urapidil tijdens de borstvoeding.

    Direct werkende vasodilatantia

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Risico, stoppen

    hydralazine

    minoxidil

    nitroprusside

    Hydralazine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk; de plasmaconcentra­ties bij zuigelingen zijn laag. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten beschreven. Het is echter verstandig om de zuigeling te controleren op hypotensie, sedatie en zwakte indien hydralazine gebruikt wordt tijdens de borstvoeding.

    Het is niet bekend of nitroprusside overgaat in de moedermelk. De halfwaardetijd is 2 minuten, waardoor overgang in de moedermelk onwaarschijnlijk is. De metabolieten thiocyanaat en cyanide gaan echter wel over in de moedermelk en zijn toxisch. Het gebruik van nitro-prusside wordt daarom afgeraden tijdens het geven van borstvoe­ding.

    Er zijn onvoldoende gegevens bekend over het gebruik van minoxidil tijdens de borst­voeding, daarom wordt gebruik tijdens de borstvoeding afgeraden.

    Middelen bij feochromocytoom

    Risico onbekend

    fentolamine

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van fentolamine tijdens de borstvoe­ding.

    Middelen bij pulmonale hypertensie

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    epoprostenol

    macitentan

    sildenafil

    tadalafil

    treprostinil

    ambrisentan

    bosentan

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van ambrisentan en bosentan tijdens borstvoeding, maar hepatische toxiciteit bij de zuigeling is niet uit te sluiten. Over de andere middelen in deze groep zijn ook geen gegevens beschikbaar.

    Anti-aritmica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    adenosine

    lidocaïne

    verapamil

    cibenzoline

    diltiazem

    disopyramide

    flecaïnide

    ibutilide

    kinidine

    procaïnamide

    propafenon

    vernakalant

    sotalol

    amiodaron

    De hoeveelheid kinidine die in de moedermelk overgaat, is klein. Dit geldt ook voor lido­caïne, maar daarbij is de relatieve kinddosis veel lager. Ook bij procaïnamide is de hoe­veelheid die overgaat in de moedermelk niet groot. De eliminatie van procaïnamide verloopt bij de zuigeling echter traag, waardoor stapeling zou kunnen optreden. Nade­lige effecten op de zuigeling zijn overigens nooit gemeld.

    Disopyramide komt in relatief grote hoeveelheden in de moedermelk terecht; anticholi­nerge bijwerkingen bij de baby (tachycardie, obstipatie, urineretentie) zijn mogelijk, maar tot nu toe nog niet beschreven.

    Er zijn geen studies over het gebruik van adenosine tijdens de borstvoeding. Omdat de halfwaardetijd slechts 10 seconden is, is substantiële overgang in de moedermelk onwaarschijnlijk.

    Flecaïnide stapelt in de moedermelk, maar de gegevens zijn voor dit middel beperkt.

    Amiodaron komt in grote hoeveelheden in de moedermelk terecht, waardoor de rela­tieve kinddosis kan oplopen tot 50% van de moederdosis. Als dit middel gebruikt moet worden, moet de borstvoeding worden gestopt.

    Er zijn onvoldoende gegevens bekend over het gebruik van propafenon tijdens de borstvoeding. In één casus werd een zeer lage relatieve kinddosis gevonden.

    Er zijn onvoldoende gegevens bekend over het gebruik van vernakalant tijdens de borstvoeding.

    Voor bèta-blokkers, zie Bèta-blokkers; voor hartglycosiden, zie Hartglycosiden; voor diltiazem en verapamil, zie Calciumantagonisten; voor fenytoïne, zie Anti-epileptica.

    Overige middelen bij coronaire aandoeningen

    Risico onbekend

    ivabradine

    nicorandil

    ranolazine

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van ivabradine, nicorandil en ranolazine tijdens de borstvoeding.

    Voor bèta-blokkers, calciumantagonisten en nitraten: zie betreffende hoofdstukken.

    Middelen bij hartfalen

    Voor bèta-blokkers, diuretica, nitraten, RAS-remmers: zie betreffende hoofdstukken.

    Hartglycosiden

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    digoxine

    metildigoxine

    Digoxine gaat vrijwel niet over in de moedermelk. De hoeveelheid digoxine die de zui­geling dagelijks binnenkrijgt, ligt ver beneden de therapeutische kinddosis. Alleen bij het gebruik van hoge doseringen door de moeder bleek de plasmaconcentratie van de zuigeling meetbaar, maar laag te zijn.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van metildigoxine tijdens de borstvoe­ding.

    Overige middelen bij hartfalen

    Risico onbekend

    enoximon

    milrinon

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van enoximin en milrinon tijdens de borstvoeding.

    Middelen bij perifere doorbloedingsstoornissen

    Middelen bij fenomeen van Raynaud

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    nifedipine

    prazosine

    Nifedipine gaat in zodanig kleine hoeveelheden over in de moedermelk dat nadelige effecten op de zuigeling niet te verwachten zijn. Het middel kan eventueel worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Prazosine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De ervaring met dit mid­del is zeer beperkt.

    Middelen bij claudicatio intermittens

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    pentoxifylline

    ginkgo biloba

    iloprost

    naftidrofuryl

    De gegevens over pentoxifylline zijn beperkt. De hoeveelheden die in de moedermelk overgaan, zijn voor zover bekend gering en er zijn nooit nadelige effecten bij de zuige­ling beschreven.

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van ginkgo biloba extract, iloprost en naftidrofu­ryl tijdens de borstvoeding.

    Antihypotensiva

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    adrenaline (epinefrine)

    dobutamine

    noradrenaline (norepinefrine)

    dihydro-ergotamine

    etilefrine

    isoprenaline

    midodrine

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoe­ding.

    Adrenaline, dobutamine en noradrenaline worden oraal niet opgenomen en hebben een korte halfwaardetijd. Men verwacht daarom bij toepassing bij de moeder tijdens de borstvoedingsperiode geen effect bij een gezonde zuigeling na de neonatale periode.

    Door de dopaminerge activiteit van dihydro-ergotamine kan de prolactinespiegel bij de moeder dalen en de borstvoeding worden geremd.

    Varicoscleroserende middelen

    Waarschijnlijk vei­lig

    lauromacrogol 400
    (eenmalig)

    Indien er een dringende noodzaak is om varices te behandelen, kan lauromacrogol 400 (polidocanol) eenmalig gebruikt worden tijdens de borstvoeding.

    Tractus digestivus

    Middelen ter behandeling van peptische aandoeningen

    Antacida

    Meest veilig, handhaven

    algeldraat

    calciumcarbonaat

    hydrotalciet

    magaldraat

    magnesiumcarbonaat

    magnesiumhydroxide

    magnesiumoxide

    magnesiumperoxide

    magnesiumtrisilicaat

    natriumbicarbonaat

    Antacida kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoeding als de normale doseringen worden aangehouden. Hoge doses dienen te worden vermeden. Terughoudendheid wordt geadviseerd bij chronisch gebruik, met name bij de aluminiumbevattende midde­len.

    Aluminium- en magnesiumbevattende antacida worden slechts gedeeltelijk geresor­beerd. Voor algeldraat, algeldraat + magnesiumhydroxide en hydrotalciet is de absorp­tie gering. Voor magnesiumoxide en magnesiumperoxide is de resorptie respectievelijk 25–30% en 5–10%. Theoretisch is het mogelijk dat een klein gedeelte hiervan in de moedermelk terechtkomt, maar dit heeft geen nadelige effecten op de zuigeling. Mag­nesium is van nature aanwezig in de moedermelk. Toediening van magnesiumzouten leidt slechts tot een geringe verhoging van de hoeveelheden in de moedermelk. Deze toename is waarschijnlijk niet klinisch relevant. Chronisch gebruik van aluminiumprepa­raten kan hypofosfatemie en hypercalciurie veroorzaken. Dit effect is nog nooit gemeld bij blootstelling via de borstvoeding. De hoeveelheid aluminium in de moedermelk is daarvoor waarschijnlijk veel te laag.

    H2-receptorantagonisten

    Meest veilig

    Waarschijnlijk vei­lig

    famotidine

    nizatidine

    ranitidine

    cimetidine

    Famotidine en nizatidine gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Deze middelen kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Ranitidine gaat in grotere hoeveelheden over in de moedermelk dan famotidine en niza­tidine en lijkt te stapelen in de borstvoeding. Echter, ranitidine wordt regelmatig aan neonaten zelf gegeven en wordt goed verdragen. De hoeveelheid ranitidine die een zui­geling binnenkrijgt via borstvoeding is veel minder dan de therapeutische dosis die aan neonaten wordt gegeven. Het lijkt onwaarschijnlijk dat deze hoeveelheid klinische effecten zal veroorzaken.

    Cimetidine gaat in aanzienlijke hoeveelheden over in de moedermelk. Het lijkt te stape­len in de borstvoeding. Tot nu toe zijn er geen meldingen van nadelige effecten op de zuigeling. Hoewel kortdurend gebruik waarschijnlijk geen probleem zal zijn, hebben andere H2-receptorantagonisten de voorkeur boven cimetidine.

    Er bestaat bij gebruik van H2-receptorantagonisten een theoretisch risico op bijwerkin­gen bij de zuigeling, zoals verandering van de zuurgraad in de maag, effecten op het centraal zenuwstelsel en in het geval van cimetidine ook remming van bepaalde lever­enzymen. Deze verschijnselen zijn echter nog nooit beschreven.

    Protonpompremmers

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    omeprazol

    pantoprazol

    esomeprazol

    lansoprazol

    rabeprazol

    In de borstvoedingsperiode hebben omeprazol en pantoprazol de voorkeur. Er is geen ervaring met het gebruik van esomeprazol, lansoprazol en rabeprazol tijdens de borst­voeding.

    Er is één case-report over het gebruik van omeprazol tijdens de borstvoeding en één over pantoprazol. Omeprazol en pantoprazol gaan nauwelijks over in de moedermelk. In de casus van omeprazol was dit middel pas 90 minuten na inname aantoonbaar in de moedermelk, met een lage piek na 3 uur. Pantoprazol was 2 en 4 uur na inname in de moedermelk aantoonbaar in een lage concentratie.

    Voor alle protonpompremmers geldt dat ze instabiel zijn in zuur milieu (zoals de maag). Deze middelen worden in de maag van de zuigeling waarschijnlijk snel afgebroken. Omeprazol kan bovendien aan neonaten worden gegeven en wordt goed verdragen. De hoeveelheid omeprazol die een zuigeling binnenkrijgt via borstvoeding is veel minder dan de therapeutische dosis die aan neonaten en kinderen wordt gegeven. Het geven van borstvoeding bij gebruik van omeprazol en pantoprazol kan op basis van deze gegevens worden overwogen.

    Mucosaprotectiva

    Waarschijnlijk veilig

    bismutsubcitraat
    (bismutoxide)

    sucralfaat

    Sucralfaat wordt slechts in beperkte mate opgenomen en is tijdens borstvoeding een eerstekeuzemiddel. Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van bismut­subcitraat. Er vindt echter nauwelijks resorptie van bismuthsubcitraat plaats. Het groot­ste deel slaat in de maag neer als onoplosbare bismutverbindingen. Hierdoor lijkt het niet waarschijnlijk dat bismutsubcitraat in de borstvoeding zal komen.

    Overige middelen bij peptische aandoeningen

    Waarschijnlijk veilig

    Mogelijk risico

    alginezuur (alginaat) 
    + antacida

    misoprostol
    (kortdurend)

    misoprostol 
    (langdurig)

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van alginezuur (alginaat) in combinatie met antacida tijdens de lactatie. Echter, alginezuur wordt nauwelijks opgenomen uit het maagdarmkanaal. Er worden geen nadelige effecten verwacht bij gebruik tijdens de borstvoeding.

    Er is beperkte ervaring met het gebruik van misoprostol. Het middel gaat in kleine hoe­veelheden over in de borstvoeding, met een piek 1–2 uur na inname en is 4–5 uur na inname vrijwel geheel uit het lichaam verdwenen. In verband met het risico op diarree bij de zuigeling, dient tijdens de borstvoeding uitsluitend kortdurend gebruik overwogen te worden. Aangeraden wordt om de eerste 4 uur na inname geen borstvoeding te geven.

    Spasmolytica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    scopolaminebutyl
    (kortdurend)

    alverine

    atropine

    mebeverine

    otilonium

    papaverine

    scopolaminebutyl
    (langdurig)

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoe­ding. Kinderen zijn zeer gevoelig voor de toxische effecten van parasympathicolytica.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring over het gebruik van scopolaminebutyl tijdens de borstvoeding. Het middel heeft een lage orale biologische beschikbaarheid (< 1%). Het gebruik van scopolaminebutyl door de moeder lijkt goed te worden verdragen door de zuigeling en kan worden overwogen bij incidentele of kortdurende toepassing.

    Anti-emetica

    Antihistaminica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    meclozine

    chloorcyclizine

    cinnarizine

    cyclizine

    promethazine

    Er zijn nauwelijks of geen gegevens bekend over het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding. Deze middelen kunnen mogelijk sedatie en irritatie veroorzaken bij de zuigeling. Indien een antihistaminicum kortdurend als anti-emeticum gebruikt moet worden tijdens de borstvoeding, zou meclozine overwogen kunnen worden. Dit middel is slechts zwak sederend. Cyclizine en promethazine worden afgeraden in verband met de lange halfwaardetijd.

    Promethazine is gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge  kinderen vanwege risico's op sedatie, ademhalingsdepressie en associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syn­drome, ofwel wiegendood). Er zijn echter nog nooit meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan promethazine via de borstvoeding.

    Dopamine-antagonisten

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    domperidon

    metoclopramide

    alizapride

    chloorpromazine

    droperidol

    Domperidon gaat slechts in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Het mid­del heeft nauwelijks effect op het centrale zenuwstelsel. Tot nu toe zijn er geen nade­lige effecten bij de zuigeling gemeld. Domperidon mag, in verband met mogelijke cardiale bijwerkingen bij de moeder, alleen kortdurend (max. 1 week) gebruikt worden. Domperidon heeft de voorkeur boven metoclopramide.

    Metoclopramide gaat over in de moedermelk en passeert de bloed-hersenbarrière. Daardoor zijn (in theorie) bijwerkingen mogelijk op het zich ontwikkelende centrale zenuwstelsel, zoals sedatie en extrapiramidale verschijnselen. In de meeste onder­zochte zuigelingen is metoclopramide niet aangetoond in het plasma, in een enkel geval wel. Verder worden in de meeste studies nauwelijks nadelige effecten op de zuigeling gezien, maar hier is niet in alle studies goed naar gekeken. In verband met het risico op neurologische bijwerkingen bij de moeder, mag het middel alleen kortdurend (maximaal 5 dagen) worden toegepast. Er zijn meldingen van het ontstaan van een (postpartum) depressie na het gebruik van metoclopramide. Metoclopramide dient bij voorkeur niet gegeven te worden aan vrouwen met een eerder doorgemaakte depressie.

    Domperidon en metoclopramide worden ook toegepast bij onvoldoende melkproductie, zie Middelen bij onvoldoende melkproductie.

    Chloorpromazine behoort tot de fenothiazinederivaten. Fenothiazinederivaten gaan, voor zover bekend, in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. Voor de meer sederende middelen, zoals chloorpromazine, is incidenteel melding gemaakt van seda­tie en lethargie bij de zuigeling. Kleine kinderen zijn zeer gevoelig voor de (bij)wer­king(en) van fenothiazinederivaten. Op theoretische gronden zouden ook extrapiramidale verschijnselen kunnen optreden, maar deze zijn nog nooit in de litera­tuur gemeld. Gebruik tijdens de borstvoeding wordt daarom afgeraden. Fenothiazinederivaten zijn gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge kin­deren vanwege risico op sedatie, ademhalingsdepressie en associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syndrome ofwel wiegendood). Er zijn echter nog nooit meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan fenothiazinederivaten via de borstvoeding.

    Er is geen ervaring met het gebruik van alizapride en droperidol tijdens de borstvoe­ding. Beide middelen hebben een sederende werking; gebruik tijdens borstvoeding zou sedatie bij de zuigeling kunnen veroorzaken. Op theoretische gronden kunnen ook extrapiramidale verschijnselen optreden bij de zuigeling, maar of dit mogelijk is door blootstelling via de borstvoeding, is niet bekend. Gebruik tijdens de borstvoeding wordt afgeraden.

    Serotonine-antagonisten

    Risico onbekend

    granisetron

    ondansetron

    palonosetron

    tropisetron

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van granisetron, ondansetron, palono­setron en tropisetron tijdens de borstvoeding.

    Overige anti-emetica

    Risico onbekend

    aprepitant

    fosaprepitant

    scopolamine

    Er is geen ervaring met het gebruik van aprepitant, fosaprepitant en scopolamine tij­dens de borstvoeding.

    Antidiarrhoica

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    kool, geactiveerd

    rehydratievloeistof (ORS)

    colestyramine

    loperamide(-oxide)

    attapulgiet

    kaolien

    racecadotril

    Rehydratievloeistof (ORS, glucosezoutoplossing) en actieve kool zijn veilig te gebruiken tijdens de borstvoeding.

    Loperamide wordt nauwelijks opgenomen uit het maagdarmkanaal en gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Nadelige effecten bij de zuigeling zijn nooit beschreven.

    Colestyramine wordt vrijwel niet geresorbeerd en nadelige effecten bij de zuigeling zijn daarom niet te verwachten. Wel moet rekening worden gehouden met een indirect effect, omdat dit middel interfereert met de opname van vetoplosbare vitaminen door de moeder. Daarnaast kan het theoretisch leiden tot een lagere concentratie van cho­lesterol in de moedermelk.

    Er zijn geen gegevens over attapulgiet, kaolien en racecadotril. Attapulgiet en kaolien zijn beide aluminiumrijke kleien en kunnen bij chronische en hoge doseringen leiden tot substantiële aluminiumblootstelling.

    Laxantia

    Middelen die niet of nauwelijks uit het maagdarmkanaal worden opgenomen, zoals volumevergrotende middelen, osmotisch werkende middelen (lactitol, lactulose, natrium- en magnesiumzouten), verdienen de voorkeur. Ook bisacodyl kan worden gebruikt, omdat het nauwelijks wordt opgenomen uit het maagdarmkanaal. Fosfaat­klysma’s kunnen eveneens – eenmalig – worden toegepast.

    Volumevergrotende middelen

    Meest veilig, handhaven

    macrogol (+ elektrolyten)

    psyllium

    sterculiagom

    zemelen

    Deze middelen worden niet of nauwelijks opgenomen uit het maagdarmkanaal en kun­nen worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Osmotisch werkende middelen

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    fosfaatklysma
    (kortdurend)

    lactitol

    lactulose

    magnesiumoxide

    magnesiumsulfaat

    sorbitol

    natriumsulfaat
    (kortdurend)

    Fosfaatklysma’s, lactulose, lactitol, magnesiumzouten en sorbitol worden nauwelijks of slechts gering geresorbeerd uit het maagdarmkanaal. Ze kunnen worden gebruikt tij­dens de borstvoeding. Fosfaatklysma’s dienen alleen kortdurend gebruikt te worden.

    Magnesium is van nature aanwezig in de moedermelk. Toediening van magnesiumzou­ten leidt slechts tot een geringe verhoging van de hoeveelheden in de moedermelk. Deze toename is waarschijnlijk niet klinisch relevant.

    Contactlaxantia

    Waarschijnlijk veilig

    bisacodyl
    (kortdurend)

    natriumpicosulfaat
    (kortdurend)

    sennosiden
    (kortdurend)

    Bisacodyl en de actieve metaboliet worden nauwelijks opgenomen uit het maagdarmka­naal. De actieve metaboliet is niet detecteerbaar in de moedermelk.

    Sennosiden gaan niet over in de moedermelk en de actieve metaboliet gaat slechts in kleine hoeveelheden over. Er is een kleine kans op het ontstaan van diarree bij de zui­geling.

    Natriumpicosulfaat en de metabolieten zijn niet meetbaar in de moedermelk.

    Contactlaxantia dienen slechts gedurende korte tijd te worden gebruikt. Bij gebruik tij­dens de borstvoeding moet men alert zijn op het ontstaan van diarree bij de zuigeling.

    Overige laxantia

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    natriumdocusaat

    natriumlaurylsulfo-acetaat

    linaclotide

    paraffine

    prucalopride

    Natriumlaurylsulfoacetaat kan kortdurend worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van natriumdocusaat tijdens de borstvoeding. Er wordt slechts weinig natriumdocusaat opgenomen vanuit het maag­darmkanaal. Kortdurend gebruik kan overwogen worden.

    Van paraffine-emulsie zijn geen gegevens beschikbaar, maar het is mogelijk dat de kwaliteit van de moedermelk wordt beïnvloed door onvoldoende opname van vetoplos­bare vitaminen bij de moeder.

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van prucalopride tijdens de borstvoeding.

    Middelen bij chronische darmontsteking

    Aminosalicylaten

    Waarschijnlijk vei­lig

    mesalazine

    sulfasalazine

    olsalazine

    Mesalazine heeft van deze middelen de voorkeur. Sulfasalazine kan bij een dosering van maximaal 2 gram per dag gebruikt worden. Bij ontstaan van diarree bij de zuigeling dient de borstvoeding gestaakt te worden.

    Er is een redelijke hoeveelheid gedocumenteerde ervaring met het gebruik van mesala­zine en sulfasalazine tijdens de borstvoeding. Ervaring met olsalazine is zeer beperkt. Olsalazine wordt vrijwel niet opgenomen uit het maagdarmkanaal. In de darm wordt het middel omgezet in mesalazine. Sulfasalazine en mesalazine gaan in kleine hoeveel­heden over in de moedermelk. Voor beide middelen (met name mesalazine) zijn enkele gevallen van (bloederige) diarree bij de zuigeling beschreven. Toch worden deze midde­len door de meeste zuigelingen goed verdragen. Hyperbilirubinemie ten gevolge van de sulfacomponent in sulfasalazine is theoretisch mogelijk bij de zuigeling, maar het is bij een dosering tot maximaal 2 gram sulfasalazine per dag nooit gemeld.

    Corticosteroïden

    Meest veilig, handha­ven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    prednisolon

    prednison

    beclometason

    budesonide

    betamethason

    Rectale toediening van corticosteroïden in de gebruikelijke dosering kan zo nodig ook tijdens de borstvoeding worden toegepast, zeker wanneer de middelen gedurende een kortere periode worden gebruikt.

    Prednisolon gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Met systemisch gebruik van prednisolon in doseringen tot 80 mg per dag zijn relatieve kinddoses van circa 1–2% gezien. Er zijn geen effecten gemeld op de zuigelingen.

    Prednisolon en prednison hebben de voorkeur bij systemische behandeling tijdens de borstvoeding. Systemisch gebruik van hogere doseringen prednisolon of prednison, eenmalig of gedurende enkele dagen (stootkuur), is geen reden om de borstvoeding te staken. Wanneer prednisolon of prednison over een langere periode moet worden gebruikt, wordt aangeraden om na inname 3 tot 4 uur te wachten met voeden. Bij doseringen van > 40 mg per dag wordt aangeraden de groei van het kind te monitoren.

    Budesonide gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De biologische beschikbaarheid van beclometason en budesonide (oraal en rectaal) is laag, zodat er nauwelijks uitscheiding in de melk zal zijn, zie ook Corticosteroïden.

    Betamethason is acht- tot tienmaal zo sterk werkzaam als prednisolon. Er zijn geen data bekend over het gebruik van betamethason tijdens de borstvoeding, maar men gaat ervan uit dat corticosteroïden slechts in geringe mate overgaan in de moedermelk.

    Immunosuppressiva

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    azathioprine

    ciclosporine

    mercaptopurine

    Azathioprine en ciclosporine gaan in geringe hoeveelheden over in de moedermelk. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten op de zuigeling gemeld. Ook zijn er geen aanwij­zingen voor (langetermijn) effecten op het immuunsysteem en bloedbeeld van de zui­geling.

    Door na inname van azathioprine 4–6 uur te wachten met het geven van borstvoeding kan de hoeveelheid die het kind binnenkrijgt geminimaliseerd worden. Sommige bron­nen adviseren om het bloedbeeld en de leverfunctie van het kind te controleren bij vol­ledige borstvoeding.

    Er is geen ervaring met mercaptopurine tijdens de borstvoeding.

    Monoklonale antilichamen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    adalimumab

    certolizumab pegol

    infliximab

    golimumab

    vedolizumab

    Met infliximab is de meeste ervaring tijdens de borstvoeding, gevolgd door adalimumab en certolizumab pegol. Nadelige effecten zijn tot op heden niet gemeld. Er is geen erva­ring met golimumab en vedolizumab tijdens de borstvoeding.

    Adalimumab, certlizumab pegol, golimumab,  infliximab en vedolizumab zijn monoklo­nale antilichamen. Grote moleculen gaan nauwelijks over in de moedermelk. Er vindt wel in kleine hoeveelheden actief transport plaats van monoklonale antilichamen naar de moedermelk, met name in de eerste week postpartum. Hierdoor is de overgang van kleine hoeveelheden in de moedermelk niet uitgesloten. Omdat certolizumab pegol slechts bestaat uit het 'Fab'- gedeelte-fragment van een monoklonaal antilichaam, zal actief transport waarschijnlijk niet optreden. In de praktijk zijn adalimumab en inflixi­mab in lage concentratie aangetoond in moedermelk. Er zijn ook enkele case-reports waarin adalimumab, infliximab en certolizumab pegol niet detecteerbaar waren in de moedermelk.

    Waarschijnlijk worden deze grote moleculen in het maagdarmkanaal van de neonaat geïnactiveerd. Systemische effecten bij de neonaat door blootstelling hieraan via borst­voeding zijn onwaarschijnlijk. Of er langetermijneffecten zijn, is onbekend.

    Overige maag-darmmiddelen

    Waarschijnlijk veilig

    dimeticon

    pancreatine (=pancreasenzy­men: amylase, lipase, prote­ase)

    ursodeoxycholzuur

    Dimeticon wordt nauwelijks opgenomen vanuit het maagdarmkanaal en kan daarom worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    Hoewel er geen gedocumenteerde ervaring is met pancreatine, kan het middel worden gebruikt tijdens de borstvoeding, aangezien enzymen niet worden opgenomen uit het maagdarmkanaal.

    Ursodeoxycholzuur is sterk aan eiwit gebonden. Het gaat in klein hoeveelheiden over in de moedermelk. Er zijn tot nu toe geen effecten gezien op de zuigeling.

    Tractus respiratorius

    Middelen bij hoest en verkoudheid

    Hoestprikkeldempende middelen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    dextromethorfan

    noscapine

    butamiraat

    cloperastine

    dihydrocodeïne

    ethylmorfine

    folcodine

    oxomemazine

    codeïne
    (kortdurend)

    promethazine

    codeïne
    (langdurig)

    pentoxyverine

    Er is zeer beperkte gedocumenteerde ervaring met het gebruik van noscapine tijdens de borstvoeding. Er is wel meer gebruikservaring. Bij kortdurend gebruik worden geen nadelige effecten verwacht.

    Er ontbreekt gedocumenteerde ervaring over het gebruik van dextromethmorfan tij­dens de borstvoeding. Het is niet waarschijnlijk dat er nadelige effecten bij de zuigeling optreden bij kortdurend gebruik.

    Codeïne wordt meestal in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Er is echter één melding in de literatuur van sterfte van de zuigeling na gebruik van codeïne door de moeder. De moeder had een verhoogde activiteit van het cytochroom P450 iso-enzym CYP2D6 (een zogenaamde ultra rapid metabolizer), een genotype dat voorkomt bij 1–2% van de Europese bevolking. Daardoor werd versneld morfine uit codeïne gevormd. Dit leidde tot hogere morfinespiegels in het serum van de moeder en in de moedermelk. Daarom dient dit middel niet langdurig of in hoge doseringen te worden gebruikt tijdens de borstvoedingsperiode. Incidenteel gebruik voor de nacht kan wor­den overwogen.

    Promethazine is gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge kinderen vanwege risico's op sedatie, ademhalingsdepressie en de associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syn­drome, ofwel wiegendood). Er zijn echter nog nooit meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan promethazine via de borstvoeding.

    Pentoxyverine gaat in grote hoeveelheden over in de moedermelk. Als gevolg van de zeer lange halfwaardetijd bij de zuigeling (5 dagen) zijn de serumconcentraties bij de zuigeling hoger dan die bij de moeder. Er zijn enkele gevallen van apneu (met of zonder cyanose) bij zuigelingen beschreven. Pentoxyverine dient daarom niet tijdens de borst­voeding te worden gebruikt.

    Van de overige middelen zijn geen gegevens bekend.

    Expectorantia en emolliëntia

    Meest veilig, handha­ven

    Risico onbekend

    althea

    ammoniumchloride

    anijs

    tijm

    zoethout

    guaiacol

    guaifenesine

    ipecacuanha

    Deze middelen hebben de voorkeur boven de hoestprikkeldempende middelen.

    Hoestmiddelen met anijs, althea, ammoniumchloride, tijm of zoethout kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoedingsperiode.

    Overige middelen bij hoest en verkoudheid

    Risico onbekend

    eucalyptol

    kamfer

    kamille

    (levo)menthol

    thymol

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van inhalatiepreparaten die als bestanddelen eucalyptol, kamfer, (levo)menthol of thymol bevatten.

    Ook met kamille-bevattende preparaten is geen ervaring. Waarschijnlijk worden ze goed door de zuigeling verdragen.

    Middelen bij astma

    Sympathicomimetica

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    salbutamol
    (inhalatie)

    terbutaline

    fenoterol

    formoterol

    salbutamol
    (systemisch)

    salmeterol

    vilanterol

    efedrine
    (systemisch)

    Het gebruik van de kortwerkende bèta-sympathicomimetica salbutamol en terbutaline per inhalatie heeft de voorkeur tijdens de borstvoeding. De systemische opname is gering. Er is veel ervaring met deze twee middelen. Terbutaline gaat in kleine hoeveel­heden over in de moedermelk. Salbutamol gaat waarschijnlijk ook in kleine hoeveelhe­den over in de moedermelk; jarenlange gebruikservaring laat geen nadelige effecten bij de zuigeling zien. Orale toediening van salbutamol is niet gebruikelijk; ervaring tijdens de borstvoedingsperiode ontbreekt, kortdurend gebruik is geen reden om de borstvoe­ding te staken.

    Ook de opname van fenoterol is gering, maar de ervaring is beperkt.

    Met de langwerkende bèta-sympathicomimetica formoterol, salmeterol en vilanterol is nog geen gedocumenteerde ervaring, maar de plasmaspiegels zijn laag. Als kortwer­kende middelen onvoldoende helpen en een langwerkend middel nodig is, kan het gebruik van formoterol of salmeterol overwogen worden. Excessief gebruik van deze middelen door de moeder zou rusteloosheid en tachycardie bij de zuigeling kunnen ver­oorzaken.

    Efedrine kan de melkproductie remmen.

    Xanthinederivaten

    Mogelijk risico

    theofylline

    Theofylline gaat over in de moedermelk en kan bij gebruik van hoge doseringen prikkel­baarheid en slaapstoornissen bij de zuigeling veroorzaken. Door de verlengde halfwaar­detijd en de lagere eiwitbinding in de zuigeling kan de theofyllineconcentratie oplopen tot therapeutische concentraties.

    Indien theofylline wordt gebruikt, moet de laagste werkzame dosis worden gekozen. Het wordt aanbevolen om de capsule of het klysma vlak na de borstvoeding in te nemen om piekconcentraties te vermijden. Zo nodig kan men de plasmaconcentratie bij de zuigeling controleren.

    Parasympathicolytica

    Waarschijnlijk vei­lig

    ipratropium

    Er zijn geen gedocumenteerde gegevens over het gebruik van ipratropium. Ervaring met het gebruik van ipratropium wijst erop dat het door de zuigeling goed wordt ver­dragen.

    Corticosteroïden

    Inhalatie

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    beclometason

    budesonide

    ciclesonide

    fluticason

    De inhalatiepreparaten beclometason, budesonide, ciclesonide en fluticason kunnen worden gebruikt; de systemische absorptie is gering. Een studie met budesonide laat zien dat de relatieve kinddosis erg laag is. Er zijn geen nadelige effecten gemeld.

    Systemisch gebruik van hogere doseringen prednisolon of prednison, eenmalig of gedu­rende enkele dagen (stootkuur), is geen reden om de borstvoeding te staken. Voor systemisch gebruik van corticosteroïden, zie Corticosteroïden, systemisch.

    Antileukotriënen

    Risico onbekend

    montelukast

    zafirlukast

    Er is geen ervaring met het gebruik van montelukast en zafirlukast tijdens de borstvoe­ding.

    Immunomodulantia

    Waarschijnlijk veilig

    omalizumab

    Er is alleen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van omalizumab tijdens de borstvoeding in het zwangerschapsregister (EXPECT). Hierin wordt vermeld dat 98 vrouwen borstvoeding gegeven hebben in combinatie met het gebruik van omalizumab en 43 vrouwen zelfs langer dan 6 maanden. Informatie over mogelijke nadelige effecten wordt echter niet beschreven. Het is een groot eiwitmolecuul waarvan waarschijnlijk zeer wei­nig overgaat in de melk. Ook wordt het niet opgenomen vanuit het maagdarmkanaal van de zuigeling.

    Cromoglicinezuur en derivaten

    Voor informatie over cromoglicinezuur en nedocromil, zie Antihistaminica en overige middelen.

    Middelen bij COPD

    Sympathicomimetica

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    salbutamol
    (inhalatie)

    terbutaline

    fenoterol

    formoterol

    salbutamol
    (systemisch)

    salmeterol

    indacaterol

    olodaterol

    vilanterol

    Het gebruik van de kortwerkende bèta-sympathicomimetica salbutamol en terbutaline per inhalatie heeft de voorkeur tijdens de borstvoeding. De systemische opname is gering. Er is veel ervaring met deze twee middelen. Terbutaline gaat in kleine hoeveel­heden over in de moedermelk. Salbutamol gaat waarschijnlijk ook in kleine hoeveelhe­den over in de moedermelk; jarenlange gebruikservaring laat geen nadelige effecten bij de zuigeling zien. Orale toediening van salbutamol is niet gebruikelijk; ervaring tijdens de borstvoedingsperiode ontbreekt, kortdurend gebruik is geen reden om de borstvoe­ding te staken.

    Ook de opname van fenoterol is gering, maar de ervaring is beperkt.

    Met de langwerkende bèta-sympathicomimetica formoterol, indacaterol, olodaterol, sal­meterol en vilanterol is nog geen gedocumenteerde ervaring, maar de plasmaspiegels zijn laag. Als kortwerkende middelen onvoldoende helpen en een langwerkend middel nodig is, kan het gebruik van formoterol of salmeterol overwogen worden. Excessief gebruik van deze middelen door de moeder zou rusteloosheid en tachycardie bij de zui­geling kunnen veroorzaken.

    Xanthine-derivaten

    Mogelijk risico

    theofylline

    Theofylline gaat over in de moedermelk en kan bij gebruik van hoge doseringen prikkel­baarheid en slaapstoornissen bij de zuigeling veroorzaken. Door de verlengde halfwaar­detijd en de lagere eiwitbinding in de zuigeling kan de theofyllineconcentratie oplopen tot therapeutische concentraties.

    Indien theofylline wordt gebruikt, moet de laagste werkzame dosis worden gekozen. Het wordt aanbevolen om de capsule of het klysma vlak na de borstvoeding in te nemen om piekconcentraties te vermijden. Zo nodig kan men de plasmaconcentratie bij de zuigeling controleren.

    Parasympathicolytica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    ipratropium

    aclidinium

    glycopyrronium

    tiotropium

    umeclidinium

    Er zijn geen gedocumenteerde gegevens over het gebruik van deze middelen. Ervaring met het gebruik van ipratropium wijst erop dat het door de zuigeling goed wordt ver­dragen. Tiotropium en umeclidinium hebben een lange halfwaardetijd, maar ook een lage systemische concentratie en een slechte orale biologische beschikbaarheid. Het kind kan gecontroleerd worden op mogelijke anticholinerge effecten (bijvoorbeeld droge mond, constipatie, urineretentie en hartslagverhoging).

    Er is geen ervaring met het gebruik van aclidinium en glycopyrronium tijdens de borst­voeding.

    Corticosteroïden

    Inhalatie

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    beclometason

    budesonide

    fluticason

    De inhalatiepreparaten beclometason, budesonide, ciclesonide en fluticason kunnen worden gebruikt; de systemische absorptie is gering. Een studie met budesonide laat zien dat de relatieve kinddosis erg laag is. Er zijn geen nadelige effecten gemeld.

    Voor systemisch gebruik van corticosteroïden, zie Corticosteroïden, systemisch.

    Fosfodiësterase-4-remmers (PDE-4-remmers)

    Risico onbekend

    roflumilast

    Er is geen ervaring met het gebruik van roflumilast tijdens de borstvoeding.

    Mucolytica en middelen bij cystische fibrose

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    acetylcysteïne
    (lage dosering)

    broomhexine

    carbocisteïne

    dornase alfa

    myrtol

    Hoewel gegevens over de farmacokinetiek veelal ontbreken, is er wel veel ervaring met het gebruik van acetylcysteïne en broomhexine tijdens de borstvoeding. Volgens de fabrikant kan acetylcysteïne in lage dosering gebruikt worden tijdens de borstvoeding. Nadelige effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Hetzelfde geldt voor carbocisteïne, maar de ervaring hiermee is minder groot.

    Dornase alfa is een groot eiwitmolecuul wat lokaal in de longen wordt toegediend. De systemische absorptie is laag. Indien dornase alfa in de moedermelk overgaat, dan wordt het middel niet opgenomen vanuit het maagdarmkanaal van de zuigeling. Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van dornase alfa, maar er worden geen nadelige effecten verwacht.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van myrtol tijdens de borstvoe­ding.

    Overige middelen bij longaandoeningen

    Risico onbekend

    pirfenidon

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van pirfenidon tijdens de borstvoeding.

    Tractus uropoeticus

    Diuretica

    Voor beschrijving, zie Diuretica.

    Middelen bij stoornissen in water- en elektrolythuishouding

    Waarschijnlijk veilig

    lanthaancarbonaat

    sevelameer

    Lanthaancarbonaat en sevelameer zijn fosfaatbindende middelen die worden gebruikt bij de behandeling van hyperfosfatemie bij nierdialyse of ernstig nierlijden. Er zijn geen gegevens over het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding.

    Beide stoffen worden na binding aan fosfaat (bijna) niet geabsorbeerd; overgang in de melk is dan ook onwaarschijnlijk. Nadelige effecten voor de zuigeling zijn daarom niet te verwachten. In dierproeven is gebruik van sevelameer geassocieerd met vitamine-malabsorptie. Omdat het geven van borstvoeding kan leiden tot verdere verlaging van maternale vitaminespiegels, kan suppletie met vetoplosbare vitaminen (met uitzonde­ring van vitamine A) overwogen worden.

    Middelen bij niersteenkoliek

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    scopolaminebutyl

    tamsulosine

    Scopolaminebutyl is onder andere geregistreerd voor niersteenkoliek. Voor toepassing bij darmspasmen, zie Spasmolytica.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van scopolaminebutyl tijdens de borstvoeding. Scopolaminebutyl heeft een lage orale biologische beschikbaarheid (< 1%). Het gebruik van het middel door de moeder lijkt goed te worden verdragen door de zuigeling en kan worden toegepast, mits het gebruik incidenteel of kortdurend is.

    Tamsulosine wordt off-label gebruikt als Medical Expulsive Therapy bij nierstenen. Er is geen gedocumenteerde ervaring. Mogelijke risico's voor het kind zijn: hypotensie, suf­heid, slecht drinken en slecht groeien.

    Middelen bij mictiestoornissen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    oxybutynine
    (kortdurend)

    darifenacine

    fesoterodine

    flavoxaat

    mirabegron

    oxybutynine
    (langdurig)

    propiverine

    solifenacine

    tolterodine

    Oxybutynine kan zo nodig kortdurend gebruikt worden, omdat de biologische beschik­baarheid na orale toediening laag is. Bij langdurig gebruik kan de productie van de moedermelk afnemen.

    Er is geen ervaring met het gebruik van darifenacine, fesoterodine, flavoxaat, mirabe­gron, propiverine, solifenacine en tolterodine.

    Tractus genitalis femininus

    Oxytocica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    oxytocine
    (kortdurend)

    dinoproston
    (kortdurend)

    oxytocine
    (langdurig)

    sulproston
    (kortdurend)

    methylergometrine

    Voor al deze middelen geldt dat de gedocumenteerde ervaring over gebruik tijdens de borstvoeding zeer beperkt is of ontbreekt.

    Oxytocine gaat in minimale hoeveelheden over in de moedermelk. Er zijn tot op heden geen aanwijzingen voor negatieve effecten op de zuigeling. Oxytocine stimuleert de toeschietreflex en wordt als neusspray gebruikt bij problemen met het op gang komen van de borstvoeding. Gebruik dient beperkt te worden tot de eerste week postpartum, omdat chronisch gebruik kan leiden tot afhankelijkheid bij de moeder.

    Het is niet bekend of dinoproston overgaat in de moedermelk. Bij vaginale toediening van dinoproston met als doel cervixrijping en/of inleiding van de baring is het gebruik heel kortdurend. Daarbij is de eliminatiehalfwaardetijd zeer kort (enkele minuten). Er worden dan ook geen nadelige effecten op de borstvoeding of op de zuigeling verwacht. Als het middel oraal gegeven wordt, kan het de lactatie onderdrukken.

    Van sulproston is niet bekend of het overgaat in de moedermelk. Sulproston wordt in Nederland kortdurend intraveneus toegepast bij atone uterusbloedingen postpartum. In het buitenland wordt dit middel hiervoor niet gebruikt. De ervaring in Nederland met het gebruik van sulproston in combinatie met borstvoeding laat geen nadelige effecten op de zuigeling zien. Meer dan 75% van de toegediende hoeveelheid wordt door het lichaam uitgescheiden met een eliminatiehalfwaardetijd van < 2 uur; de resterende 25% wordt uitgescheiden met een halfwaardetijd van ongeveer 20 uur. Na beëindiging van het infuus neemt de plasmaconcentratie binnen 3 uur snel af tot onder de detectie­limiet. Om eventuele nadelige effecten op de zuigeling te voorkomen, suggereert de fabrikant om de borstvoeding te onderbreken gedurende de infuusduur + 3 uur.

    Methylergometrine gaat over in de moedermelk. Er zijn diverse meldingen van nadelige effecten bij het kind gemeld, zoals verhoogde bloeddruk, bradycardie of tachycardie, overgeven, diarree, agitatie en insulten. In theorie kan dit middel (het op gang komen van) de melkproductie nadelig beïnvloeden door verlaging van het prolactinegehalte.

    Middelen bij vaginale aandoeningen

    Middelen bij Candida albicans

    Lokaal (vaginaal)

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    miconazol

    butoconazol

    clotrimazol

    fenticonazol

    Systemisch

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    fluconazol
    (150 mg eenma­lig)

    fluconazol
    (langdurig)

    itraconazol

    De gedocumenteerde ervaring over het gebruik van antimycotica gedurende de borst­voeding is beperkt.

    Lokaal toegediende geneesmiddelen die niet of nauwelijks worden geabsorbeerd, kun­nen worden gebruikt tijdens de borstvoeding, omdat klinisch relevante blootstelling via de borstvoeding niet wordt verwacht. Dit geldt voor de vaginale toediening van butoco­nazol, clotrimazol en miconazol. Van fenticonazol zijn geen gegevens bekend.

    Fluconazol gaat in redelijk grote hoeveelheden over in de moedermelk en heeft een lange elminatiehalfwaardetijd, waardoor de kans op stapeling bij het kind bij herhaalde toepassing toeneemt. De hoeveelheid fluconazol die de zuigeling via borstvoeding bin­nenkrijgt, is echter veel minder dan de therapeutische dosis die aan neonaten wordt gegeven. Bij een eenmalige dosis (150 mg) kan de borstvoeding worden gecontinu­eerd. Er is beperkte documentatie van langdurig gebruik van fluconazol.

    Er is geen ervaring met het geven van borstvoeding na gebruik van itraconazol door de moeder.

    Middelen bij Trichomonas vaginalis

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    metronidazol
    (eenmalige dosis)

    metronidazol
    (langdurig)

    tinidazol

    Metronidazol gaat over in de moedermelk. De halfwaardetijd is bij zuigelingen (vooral bij prematuren) verlengd, waardoor stapeling kan optreden. Er zijn geen duidelijke aan­wijzingen voor nadelige effecten bij de zuigeling. Maximale melkconcentraties worden 2 tot 4 uur na inname van een eenmalige dosis bereikt. Gezien deze gegevens is er, indien metronidazol als eenmalige dosis wordt gegeven, geen reden om de borstvoe­ding te stoppen.

    Tinidazol gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk. Het effect hiervan op de zuigeling is onbekend en gebruik tijdens de borstvoeding wordt daarom afgera­den.

    Middelen bij bacteriële vaginose

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico, stoppen

    clindamycine (lokaal)

    clindamycine
    (systemisch)

    metronidazol

    povidonjodium

    Indien behandeling van bacteriële vaginose nodig is, kan vaginaal gebruik van clinda­mycine (weinig geabsorbeerd) of metronidazol plaatsvinden.

    Na oraal gebruik gaat clindamycine in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Er is één case-report waarbij bloederige diarree bij de zuigeling gemeld werd, maar een cau­saal verband tussen het gebruik van clindamycine en het optreden van diarree kon niet worden vastgesteld.

    Voor metronidazol oraal, zie Middelen bij Trichomonas vaginalis.

    Het gebruik van povidonjodium moet worden vermeden. Jodium gaat makkelijk over in de moedermelk en kan in de borst stapelen, waardoor de schildklierfunctie van de zui­geling kan worden beïnvloed.

    Vaginale anticonceptiva

    Meest veilig, handhaven

    IUD, koperhoudend

    IUD met levonorgestrel

    spermaticide middelen

    Bij het gebruik van spermaticide middelen en IUD’s kan borstvoeding worden gegeven.

    Een koperhoudend IUD, postpartum aangebracht, is niet geassocieerd met een signifi­cante stijging van serum ceruloplasmine of koperconcentraties in de moedermelk.

    IUD met levonorgestrel: de concentratie levonorgestel die systemisch beschikbaar komt, is lager dan bij een orale toepassing. Het komt in zeer geringe mate in de moe­dermelk terecht. Progestagenen beïnvloeden de borstvoeding niet. In diverse onderzoe­ken zijn geen nadelige effecten van progestagenen op zuigelingen gezien.

    Voor levonorgestrel, zie ook Progestagenen.

    Middelen bij huidaandoeningen

    Middelen die op de huid worden aangebracht, kunnen in het algemeen worden gebruikt tijdens de borstvoeding, omdat opname via de huid meestal gering is. Bij behandeling van grotere oppervlakken en in het geval van beschadigde huid kan de opname groter zijn. De opname via de huid is te beperken door alleen de te behandelen plek dun in te smeren. Wanneer de borst moet worden behandeld, moet het gebied rond de tepel vóór het voeden eerst worden schoongemaakt. Wanneer er twijfel is over de veiligheid gel­den in principe de aanbevelingen uit de desbetreffende hoofdstukken over systemisch gebruik.

    Bases en indifferente middelen

    Meest veilig, handhaven

    carbomeerwatergel

    cetomacrogol crème/smeersel/zalf

    hypromellose zalf

    koelzalf

    lanette crème/smeersel/zalf

    spiritueus schudsel

    vaseline-cetomacrogolcrème

    vaseline-lanettecrème

    waterhoudende zalf

    zinkolie

    zinkoxide pasta/schudsel/smeersel/zalf

    ZOK-zalf

    Hiertoe behoren crèmes, gels, oplossingen, schudsels, pasta’s, strooipoeders en zalven. Omdat deze middelen geen werkzame stoffen bevatten en niet of nauwelijks door de huid worden opgenomen, kunnen ze tijdens de borstvoeding worden gebruikt.

    Corticosteroïden voor lokaal gebruik

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig (beperkt gebruik)

    clobetason

    flumetason

    fluocortolon

    hydrocortison

    triamcinolon

    amcinonide

    betamethason

    clobetasol

    desoximetason

    diflucortolon

    fluticason

    methylprednisolon

    mometason

    Op de huid aangebrachte corticosteroïden kunnen lage plasmaspiegels bij de moeder geven. De hoeveelheid die wordt geabsorbeerd, is mede afhankelijk van de grootte van de te behandelen oppervlakte en plaats. De absorptie is groter bij behandeling van een groot, beschadigd huidoppervlak. Evenals tijdens de zwangerschap wordt de voorkeur gegeven aan de corticosteroïden uit klasse 1 en 2 op een beperkt oppervlak. Uitgebreid gebruik (langdurig, op een groot huidoppervlak) van corticosteroïden uit klasse 3 en 4 wordt afgeraden, omdat relevante bloedspiegels bij de moeder daarbij niet kunnen wor­den uitgesloten.

    Er is één geval beschreven waarbij de zuigeling nadelige effecten ondervond (iatrogene hypertensie) door blootstelling aan een corticosteroïd; de moeder had de crème op de tepels toegepast. Indien behandeling van de tepels met een corticosteroïd noodzakelijk is, moeten de tepels goed worden schoongemaakt vóór het voeden.

    Overige middelen bij atopisch of seborroïsch eczeem

    Lokale behandeling eczeem

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    ketoconazol

    ichthammol

    koolteer

    pimecrolimus

    seleensulfide

    tacrolimus

    Ketoconazol kan tijdens de borstvoeding dermaal worden gebruikt. Dit middel wordt nauwelijks geabsorbeerd na lokale toediening.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van ichthammol, koolteer en seleensul­fide tijdens de borstvoeding. Het gebruik van koolteerproducten wordt afgeraden van­wege de mutagene en carcinogene eigenschappen van de stof. Na dermaal gebruik kan huid-op-huidcontact tussen moeder en kind tot absorptie leiden. Blootstelling via de melk na lokaal therapeutisch gebruik is echter zeer onwaarschijnlijk. Seleensulfide wordt niet of nauwelijks geabsorbeerd door de intacte huid.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met dermaal gebruik van pimecrolimus en tacro­limus tijdens de borstvoeding. De absorptie via de intacte huid is gering. Het is niet bekend of pimecrolimus overgaat in de moedermelk. Tacrolimus gaat na orale toedie­ning in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De beperkte absorptie van pimecrolimus en tacrolimus via de huid maakt nadelige effecten via de moedermelk op de zuigeling onwaarschijnlijk.

    Direct huidcontact tussen de zuigeling en de behandelde huid dient vermeden te wor­den. Als de borst behandeld wordt, moet het gebied rond de tepel vóór het voeden eerst worden schoongemaakt.

    Voor corticosteroïden, zie Corticosteroïden voor lokaal gebruik.

    Systemische behandeling eczeem

    Risico, stoppen

    alitretinoïne

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van alitretinoïne tijdens de borstvoeding. Het is een retinoïdverbinding. Systemisch gebruik is gecontra-indiceerd tijdens de borstvoe­ding.

    Antimycotica voor lokaal gebruik

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk

    veilig

    Risico onbekend

    clotrimazol

    ketoconazol

    miconazol

    nystatine

    terbinafine

    bifonazol

    ciclopirox

    sulconazol

    amorolfine

    benzoëzuur + salicylzuur

    isoconazol

    Clotrimazol, ketoconazol, miconazol en terbinafine kunnen tijdens de borstvoeding der­maal worden gebruikt. Deze middelen worden nauwelijks geabsorbeerd na lokale toe­diening. Wanneer de borst moet worden behandeld, moet het gebied rond de tepel vóór het voeden eerst worden schoongemaakt.

    Hoewel er geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van nystatine bestaat, kan nystatine worden gebruikt tijdens het geven van borstvoeding. Het middel wordt na orale inname nauwelijks geabsorbeerd. Nystatine wordt vaak bij neonaten zelf toege­past voor de behandeling van candidiasis.

    Met bifonazol, ciclopirox en sulconazol is weinig of geen ervaring tijdens de borstvoe­ding. Van deze middelen is wel bekend dat de absorptie via de huid gering is; daarom is het gebruik tijdens de borstvoeding waarschijnlijk veilig.

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van de combinatie van benzoëzuur en salicyl­zuur tijdens de borstvoeding.

    Middelen bij candidiasis van de borst

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    miconazol, lokaal

    nystatine, oraal of lokaal

    fluconazol, oraal

    Candida albicans kan de tepel oppervlakkig infecteren. Risicofactoren zijn tepelkloven, een recente kuur met antibiotica en vaginale candidiasis bij de moeder. Eerste keus is lokale behandeling met miconazol of nystatine. Moeder én kind moeten worden behan­deld om herinfectie te voorkomen. Behandeling dient tot minimaal twee dagen na ver­dwijnen van de verschijnselen te worden voortgezet.

    Bij diepe borstpijn kan candidiasis de onderliggende oorzaak zijn. De branderige, ste­kende diepe pijn in de borst treedt op tijdens het voeden en kan minuten tot uren na de voeding aanhouden. Deze klachten worden echter ook beschreven bij bacteriële infec­ties. Het is daarom van belang deze oorzaken te onderzoeken voordat wordt gekozen voor een behandeling met antimycotica. Mastitis (ontsteking van een melkklier) met koorts is te behandelen met antibiotica.

    Het gebruik van fluconazol bij diepe borstpijn is controversieel. In enkele case-reports zijn goede resultaten beschreven, gecontroleerde onderzoeken ontbreken echter. Bij deze experimentele therapie moeten de volgende overwegingen in acht worden geno­men:

       Fluconazol gaat in redelijk grote hoeveelheden over in de moedermelk (melk/plasma ratio beschreven van 0,5–0,9). De relatieve kinddosis is na een enkel­voudige dosis al meer dan 15%. Gezien de lange halfwaardetijd (vooral bij de premature neonaat) kan dit nog hoger worden bij herhaalde toepassing. De dosis die het kind binnenkrijgt via de moedermelk is echter veel lager dan de therapeutische dosis bij de behandeling van een neonaat. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten op de zuigeling beschreven.

       Fluconazol wordt door de neonaat goed verdragen.

       De hoeveelheid fluconazol in de moedermelk is te klein om de eventuele can­dida-infectie in de mond van de zuigeling te behandelen. Deze moet daarom lokaal worden behandeld.

       Een enkele dosis fluconazol is waarschijnlijk onvoldoende. Kuren van twee tot zes weken (eenmaal daags 100 mg, gedurende 14 dagen, tot eenmaal daags 100 tot 200 mg gedurende zes weken) worden beschreven. Door het ontbre­ken van gecontroleerd onderzoek is het niet mogelijk om een duidelijke richt­lijn te geven voor de behandelduur en dosering.

    middelen tegen schurft en luis voor lokaal gebruik

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    benzylbenzoaat

    dimeticon

    permetrine

    malathion

    Als niet-medicamenteuze behandeling (luizenkam) van luizen geen effect heeft, kan een antiluismiddel worden gegeven tijdens de borstvoedingsperiode. De voorkeur gaat uit naar dimeticon, omdat het niet wordt opgenomen en niet farmacologisch actief is. Ook permetrine kan gebruikt worden. Het wordt nauwelijks door de huid opgenomen, waardoor de absolute blootstelling voor de zuigeling minimaal is. Bovendien is per­metrine weinig toxisch. Bij de behandeling van hoofdluis is het te behandelen oppervlak beperkt en kan borstvoeding worden gehandhaafd.
    Malathion voor de behandeling van luizen is een tweede-keuzemiddel. Het wordt in redelijke hoeveelheden opgenomen via de huid (tot 25%), maar wordt ook snel afge­broken. Bij herhaald gebruik kort na elkaar kan de blootstelling voor de zuigeling toene­men.

    Bij de behandeling van scabiës (schurft) tijdens de borstvoeding is permetrine (interna­tionaal) het eerste-keuzemiddel. Permetrine wordt nauwelijks geabsorbeerd door de huid, waardoor de absolute blootstelling voor de zuigeling minimaal is. Directe bloot­stelling aan permetrine via de tepel dient voorkomen te worden door de tepel schoon te maken vóór het voeden. Bij de behandeling van schurft wordt het hele lichaam behan­deld en is het te behandelen oppervlak dus groot ten opzichte van antiluisbehandeling. Permetrine is geregistreerd voor de behandeling van schurft bij kinderen vanaf 2 maan­den oud. Uiteraard heeft de zuigeling van een patiënt met schurft een hoog risico zelf besmet te zijn.
    Bij de behandeling van schurft is benzylbenzoaat minder effectief dan permetrine omdat het de eitjes niet doodt. Benzylbenzoaat wordt nauwelijks geabsorbeerd door de huid en gaat ook nauwelijks over in de moedermelk. Bij gebruik van benzylbenzoaat kan de borstvoeding gecontinueerd worden.

    Antimicrobiële en antivirale middelen voor lokaal gebruik

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    aciclovir

    fusidinezuur

    mupirocine

    nitrofural

    oxytetracycline
    (kortdurend)

    penciclovir

    tetracycline
    (kortdurend)

    zilversulfadiazine

    chlooramfenicol

    oxytetracycline
    (langdurig)

    tetracycline
    (langdurig)

    De absorptie van aciclovir door de huid is beperkt. Uit metingen na oraal gebruik is gebleken dat aciclovir slechts in zeer kleine hoeveelheden overgaat in de moedermelk. Tijdens de borstvoeding kan aciclovir lokaal worden gebruikt voor de behandeling van een koortslip. Bij gebruik op de huid is het advies om aciclovir niet op of dicht bij de tepel te gebruiken tijdens de borstvoedingsperiode.

    Fusidinezuur is reeds lang op de markt zonder aanwijzingen voor nadelige effecten; borstvoeding kan gehandhaafd worden bij lokaal gebruik.

    Zilversulfadiazine komt in de moedermelk terecht. Echter, bij gebruik op kleine opper­vlakten is het zeer onwaarschijnlijk dat de dosis die bij de zuigeling terechtkomt, kli­nisch relevante spiegels veroorzaakt. De borstvoeding kan worden gehandhaafd wanneer een vrouw een brandwond heeft ingesmeerd met zilversulfadiazine.

    Bij kortdurend lokaal gebruik (< 3 weken) van tetracyclines kan de borstvoeding wor­den gehandhaafd. De absorptie door de huid is gering. Bij systemisch gebruik van tetra­cyclines wordt langdurige toepassing tijdens de borstvoeding afgeraden vanwege het theoretische risico op aantasting van het gebit en botten van de zuigeling. Echter, gezien de geringe opname door de huid zijn dergelijke effecten na langdurig dermaal gebruik zeer onwaarschijnlijk.

    Penciclovir wordt nauwelijks opgenomen via de huid; het is zeer onwaarschijnlijk dat de dosis die bij de zuigeling terechtkomt, klinisch relevant is.

    Mupirocine wordt nauwelijks geabsorbeerd via de huid. Er zijn geen gegevens over gebruik tijdens de borstvoeding.

    Chlooramfenicol gaat over in de moedermelk. Bij systemisch gebruik van chlooramfe­nicol door de moeder aan het einde van de zwangerschap zijn meerdere nadelige effec­ten voor zuigelingen gemeld (braken, gasvorming in de darmen, weigeren van de borst, in slaap vallen tijdens de voeding). Bij gebruik in de kindergeneeskunde zijn beenmerg­depressie en het grey-babysyndroom (asgrijze huidskleur/cyanose, gezwollen buik, hypothermie, lethargie, cardiovasculaire collaps en ademhalingsdepressie) beschreven. Het is onwaarschijnlijk dat deze effecten optreden na blootstelling via de moedermelk na lokaal gebruik. Desondanks moet chlooramfenicol vanwege het mogelijk toxische effect niet worden voorgeschreven tijdens de borstvoeding.

    Antiseptica en desinfectantia

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    cetrimide

    chloorhexidine

    hexamidine

    jodiumbevattende huidpreparaten
    (beperkt gebruik)

    Chloorhexidine wordt nauwelijks via de huid opgenomen en en kan worden gebruikt, maar bij aanbrengen op de tepels wordt geadviseerd deze eerst goed te wassen voordat de baby wordt gevoed.

    Cetrimide en hexamidine worden door sterke binding aan huid en weefsels nauwelijks geabsorbeerd bij lokaal gebruik. Hierdoor worden geen nadelige effecten verwacht voor de zuigeling. Geadviseerd wordt beide middelen niet aan te brengen in het gebied rond de borsten.

    Jodium gaat vanuit de bloedbaan gemakkelijk over in de moedermelk en kan daar sta­pelen waardoor de schildklierfunctie van de zuigeling kan worden beïnvloed. Langdurig gebruik en gebruik op grotere oppervlakken van povidonjodium wordt afgeraden. Bij vaginaal gebruik door de moeder blijkt dat door absorptie een aanzienlijke hoeveelheid jodide in het plasma van de zuigeling terecht kan komen. Kortdurend gebruik op een intacte huid zal waarschijnlijk geen probleem opleveren.

    Middelen bij acne vulgaris

    Lokale behandeling acne vulgaris

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    benzoylperoxide

    clindamycine

    erytromycine

    azelaïnezuur

    resorcinol

    salicylzuur
    (beperkt gebruik)

    adapaleen

    tretinoïne (vitamine-A-zuur)

    Benzoylperoxide, clindamycine en erytromycine worden dermaal minimaal geabsor­beerd en mogen lokaal worden gebruikt tijdens de borstvoeding.

    De absorptie van salicylzuur door de huid is afhankelijk van de gebruikte concentratie, het gebruikte volume, de behandelduur en het behandelde huidoppervlak. Vanuit de bloedbaan kan het overgaan in de moedermelk. Tijdens de borstvoeding mag salicyl­zuur kortdurend cutaan op kleine oppervlakten worden toegepast. Met name de gecon­centreerde salicylzuurpreparaten zouden een risico kunnen vormen vanwege accumulatie bij herhaald gebruik.

    Resorcinol wordt beperkt opgenomen via de intacte huid. Er is geen gedocumenteerde ervaring tijdens de borstvoeding.

    Het is onwaarschijnlijk dat lokale behandeling met adapaleen en tretinoïne (retinoïden) leidt tot een systemische belasting die hoog genoeg is om meetbare concentraties in de melk te kunnen opleveren. Toch wordt lokale toepassing van adapaleen en tretinoïne ontraden, omdat er nog onvoldoende gegevens zijn en de stoffen structureel verwant zijn aan isotretinoïne. Indien toch lokaal gebruik tijdens borstvoeding wordt overwogen, dan wordt aangeraden het in elk geval niet op de borst aan te brengen.

    Systemische behandeling acne vulgaris

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    erytromycine

    doxycycline
    (kortdurend)

    tetracycline
    (kortdurend)

    doxycycline
    (langdurig)

    tetracycline
    (langdurig)

    isotretinoïne

    Erytromycine gaat in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk en kan worden gebruikt tijdens de borstvoeding. Er bestaat discussie over de relatie tussen het optre­den van pylorusstenose en gebruik van erytromycine (door de neonaat of blootstelling via borstvoeding); een causaal verband is tot op heden niet aangetoond.

    Tetracyclines gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De concentratie in de moedermelk is veel lager dan die in het plasma van de moeder. Ze zijn voor zover bekend niet in het serum van zuigelingen aangetoond. Tetracyclines worden voor een deel geïnactiveerd door het in de moedermelk aanwezige calcium. Omdat voor doxycy­cline de complexvorming met calcium minder groot is, bestaat de kans op een grotere opname door de zuigeling. In het geval van een korte kuur (< 3 weken) is het onwaar­schijnlijk dat gebit en botten worden aangetast door deze minimale hoeveelheden. Effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Bij langdurig gebruik, zoals bij acne, kan beter geen borstvoeding worden gegeven.

    Isotretinoïne moet op grond van de toxiciteit en lange halfwaardetijd niet worden gebruikt tijdens de borstvoeding, zie ook Macroliden en lincomycinen en zie Tetracycli­nes.

    Keratolytica

    Waarschijnlijk vei­lig

    ditranol

    salicylzuur
    (beperkt gebruik)

    ureum

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van ditranol en ureum tijdens de borstvoeding. Ditranol wordt nauwelijks door de huid geabsorbeerd. Ureum is van nature aanwezig in moedermelk.

    De absorptie van salicylzuur door de huid is afhankelijk van de gebruikte concentratie, het gebruikte volume, de behandelduur en het behandelde huidoppervlak. Vanuit de bloedbaan kan het overgaan in de moedermelk. Tijdens de borstvoeding mag salicyl­zuur kortdurend cutaan op kleine oppervlakten worden toegepast. Met name de gecon­centreerde salicylzuurpreparaten zouden een risico kunnen vormen vanwege accumulatie bij herhaald gebruik.

    Lokale middelen bij jeuk

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    lidocaïne

    menthol

    capsaïcine

    difenhydramine

    kamfer
    (beperkt gebruik)

    pramocaïne

    tetracaïne

    Menthol kan lokaal gebruikt worden tijdens de borstvoeding, maar men moet ervoor zorgen dat de baby het niet kan inademen. Ook lidocaïne kan op de huid worden toege­past tijdens de borstvoeding.

    Er is geen informatie over gebruik van capsaïcine en kamfer tijdens de borstvoeding. Kamfer is bij systemisch gebruik van hoge doseringen potentieel toxisch. Er kan absorptie door de huid plaatsvinden, maar beperkt gebruik op een klein oppervlak is waarschijnlijk veilig.  

    Pramocaïne en tetracaïne kunnen op de huid worden toegepast, mits men ervoor zorgt dat de zuigeling niet met de crème in aanraking komt.

    Bij systemisch gebruik van difenhydramine is de gemeten relatieve kinddosis zeer laag. Relevante blootstelling via de melk na lokaal gebruik is zeer onwaarschijnlijk.

    Middelen bij psoriasis

    Lokale behandeling psoriasis

    Waarschijnlijk veilig

    calcipotriol

    calcitriol

    ditranol

    koolteer

    tacalcitol

    Afhankelijk van de grootte van het te behandelen oppervlak en de duur van de behan­deling kunnen de vitamine-D-analoga calcipotriol en calcitriol worden gebruikt. Opname via de huid is gering.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van ditranol tijdens de borstvoeding. Ditranol wordt nauwelijks door de huid geabsorbeerd.

    Het gebruik van koolteerproducten moet worden beperkt vanwege de mogelijke muta­gene en carcinogene eigenschappen.  Na dermaal gebruik kan huid-op-huidcontact tus­sen moeder en kind tot absorptie leiden. Relevante blootstelling via de melk na lokaal therapeutisch gebruik is echter onwaarschijnlijk.

    Systemische behandeling psoriasis

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    apremilast

    ustekinumab

    methotrexaat

    methoxsaleen

    acitretine

    Bij eenmalig gebruik van methoxsaleen kan de borstvoeding na 24 uur kolven (deze melk weggooien) hervat worden.

    Methotrexaat gaat zeer beperkt over in de moedermelk. Het middel blijft echter lang in het lichaam aanwezig, zeker bij neonaten. Gezien de toxiciteit wordt in het algemeen  ook gebruik van de lage dosering afgeraden tijdens de borstvoeding.

    Er is onvoldoende ervaring met apremilast tijdens de borstvoeding.

    Over ustekinumab, een IgG monoklonaal antilichaam, zijn geen gegevens bekend over het gebruik tijdens de borstvoeding. Grote moleculen gaan nauwelijks over in de moe­dermelk. Er vindt wel in kleine hoeveelheden actief transport plaats van IgG naar de moedermelk, met name in de eerste week postpartum. Hierdoor is de overgang van kleine hoeveelheden ustekinumab in de moedermelk niet uitgesloten.

    Waarschijnlijk worden deze grote moleculen in het maagdarmkanaal van de neonaat geïnactiveerd. Systemische effecten bij de neonaat door blootstelling hieraan via borst­voeding is onwaarschijnlijk. Of er langetermijneffecten zijn, is onbekend.

    Acitretine is een retinoïde. Het gebruik is op grond van de toxiciteit en lange halfwaar­detijd gecontra-indiceerd tijdens de borstvoeding.

     Overige lokale middelen bij huidaandoeningen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    metronidazol

    hydrochinon

    fluorouracil
    (beperkt gebruik)

    imiquimod

    minoxidil

    podofyllotoxine
    (beperkt gebruik)

    brimonidine

    Contralum Ultra®

    ivermectine

    diltiazem

    fluorouracil
    (intensief gebruik)

    isosorbidedinitraat

    nitroglycerine

    podofyllotoxine
    (intensief gebruik)

    Lokaal gebruik van metronidazol en hydrochinon tijdens de borstvoeding is geen pro­bleem.

    Er is geen ervaring met de middelen fluorouracil, imiquimod en podofyllotoxine. Bij gebruik op een beperkt oppervlak is het onwaarschijnlijk dat nadelige effecten bij de zuigeling zullen optreden. Intensief gebruik (grotere hoeveelheid, op een groter opper­vlak en gedurende langere tijd) van fluorouracil of podofyllotoxine kan leiden tot signifi­cante systemische opname bij de moeder en dient niet gecombineerd te worden met borstvoeding.

    Er zijn geen gegevens bekend over dermaal gebruik van minoxidil tijdens de borstvoe­ding. Na orale toediening is minoxidil wel in de moedermelk aangetoond. Echter, gezien de geringe absorptie via de huid (1,5%), zijn nadelige effecten op de zuigeling via de moedermelk onwaarschijnlijk bij dermaal gebruik.

    Er is zeer beperkte ervaring met lokaal gebruik van brimonidine in combinatie met borstvoeding. Bij gebruik op een beperkt oppervlak is het onwaarschijnlijk dat nadelige effecten bij de zuigeling zullen optreden. Echter, bij directe toepassing van brimonidine oogdruppels bij de neonaat zelf zijn wel bijwerkingen gerapporteerd (bradycardie, hypotensie, hypothermie en apneu). Kennelijk zijn sommige neonaten gevoelig voor lage doseringen. Daarom wordt brimonidine bij voorkeur niet gebruikt tijdens de borst­voedingsperiode.

    Van Contralum Ultra®, dat avobenzon, methylbenzylideenkamfer en novantisolnatrium bevat, is niet bekend of het overgaat in de moedermelk.

    Er is onvoldoende ervaring met lokaal gebruik van ivermectine tijdens de borstvoeding. Het gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Bij langdurig gebruik op de huid kan geringe systemische blootstelling van de moeder plaatsvinden en kan beperkte overgang naar de melk niet worden uitgesloten.

    Er is onvoldoende bekend over lokaal gebruik van diltiazem, isosorbidedinitraat en nitroglycerine voor de behandeling van een anaal fissuur tijdens de borstvoeding. Gebruik wordt afgeraden vanwege de mogelijk sterke absorptie vanuit dit goed door­bloede gebied en het ontbreken van het first-pass-effect. Er kan een continue spiegel ontstaan in het bloed van de moeder door langzame afgifte vanuit de crème. Nadelige effecten via de melk op de zuigeling kunnen niet worden uitgesloten (vasodilatatie). Bovendien zouden zuigelingen gevoelig zijn voor nitraten.

    Middelen bij keel-, neus- en ooraandoeningen

    In principe kunnen deze middelen tijdens de borstvoeding volgens voorschrift worden gebruikt, aangezien er vaak minimale hoeveelheden worden toegepast en de absorptie gering is. De voorkeur gaat altijd uit naar oudere middelen en middelen waar al veel ervaring mee is. Bij twijfel kan de aanbeveling voor systemische toepassing worden geraadpleegd.

    Op theoretische gronden is het beter om het gebruik van chlooramfenicol te vermijden.

    Middelen bij keelaandoeningen

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    dequalinium

    ambroxol

    citroenglycerol

    flurbiprofen (kortdu­rend)

    glycerol

    lidocaïne
    (kortdurend)

    amylmetacresol/
    dichloorbenzylalcohol

    Dequalinium kan worden toegepast tijdens de borstvoeding vanwege de geringe absorptie. Glycerol en citroenglycerol worden lokaal toegepast. De middelen worden niet doorgeslikt, waardoor de systemische opname beperkt zal zijn.

    Hoewel gegevens over de farmacokinetiek veelal ontbreken, is er wel veel ervaring met het gebruik van ambroxol. Nadelige effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld.

    Lidocaïne gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Bij gebruik vol­gens voorschrift (maximaal 2 dagen) lijkt effect op de zuigeling niet waarschijnlijk.

    Gedocumenteerde ervaring met de andere middelen ontbreekt.

    Middelen bij orofaryngeale mycosen

    Meest veilig,

    handhaven

    amfotericine B

    miconazol, orale gel

    nystatine

    Amfotericine B, miconazol en nystatine kunnen worden toegepast tijdens de borstvoe­ding vanwege de geringe absorptie.

    Middelen bij overige mond- en keelaandoeningen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    chloorhexidine

    hexetidine

    tetracycline (kortdu­rend)

    tobramycine

    triamcinolon
    (kortdurend)

    waterstofperoxide 3%

    fusafungine 

    glycopyrronium

    pilocarpine 

    rheum/salicylzuur

    triamcinolon
    (langdurig)

    tretinoïne

    Chloorhexidine en hexetidine kunnen worden toegepast tijdens de borstvoeding van­wege de geringe absorptie.

    De mondspoelingen met waterstofperoxide en tetracycline worden lokaal toegepast. Deze middelen worden niet doorgeslikt, waardoor de systemische opname beperkt zal zijn. Tetracyclines gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Tetracyclines kunnen tijdens de borstvoeding kortdurend gebruikt worden.

    Er is geen ervaring met het gebruik van triamcinolon tijdens de borstvoeding. Bij gebruik in de mond moet rekening worden gehouden met systemische opname. Er is wel ervaring met het gebruik van andere corticosteroïden tijdens de borstvoeding, waaruit blijkt dat deze middelen nauwelijks overgaan in de moedermelk. Kortdurend gebruik van een normale dosis zal waarschijnlijk geen nadelige effecten geven. Langdu­rig gebruik kan beter worden vermeden vanwege het ontbreken van ervaring.

    Er is geen ervaring met het gebruik van pilocarpine tijdens de borstvoeding. Gebruik tij­dens de borstvoeding wordt afgeraden.

    Het is niet bekend of glycopyrronium, dat wordt toegepast bij overmatige speeksel­vloed, overgaat in de moedermelk. Gebruik wordt afgeraden tijdens het geven van borstvoeding.

    Oromucosaal gebruik van tretinoïne tijdens de borstvoeding wordt afgeraden. Er zijn geen gegevens bekend, maar gezien de molecuulgrootte is overgang in de moedermelk waarschijnlijk. Tretinoïne wordt snel en gemakkelijk opgenomen via het mondslijmvlies.

    Middelen bij neusaandoeningen

    Decongestiva

    Lokaal

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Mogelijk risico

    natriumchloride (fysiologische zoutoplossing)

    nafazoline
    (kortdurend)

    oxymetazoline
    (kortdurend)

    tramazoline
    (kortdurend)

    xylometazoline
    (kortdurend)

    efedrine

    fenylefrine

    Systemisch

    Mogelijk risico

    fenylefrine

    pseudo-efedrine

    Natriumchloride neusdruppels en -spray kunnen zonder bezwaar gebruikt worden tij­dens de borstvoeding.

    Xylometazoline en oxymetazoline hebben de voorkeur boven nafazoline en tramazoline, omdat ze lang op de markt zijn, veel gebruikt worden en selectief zijn. Aangeraden wordt deze middelen niet langer dan 7 dagen aaneen te gebruiken.

    Efedrine en fenylefrine, niet-selectieve decongestiva voor lokaal gebruik, worden niet geadviseerd voor herhaalde toediening, gezien de werking van deze middelen. Een enkele dosis is waarschijnlijk zonder nadelige effecten voor de zuigeling te gebruiken.

    In België zijn ook decongestiva voor oraal gebruik geregistreerd, zoals pseudo-efedrine en fenylefrine. Fenylefrine en pseudo-efedrine kunnen de melkproductie remmen en irritatie veroorzaken bij de zuigeling. Gebruik wordt ontraden tijdens de borstvoeding. Een enkele dosis geeft waarschijnlijk geen problemen voor de zuigeling, maar de voor­keur gaat uit naar lokale toediening van decongestiva.

    Anti-allergica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    beclometason

    budesonide

    prednisolon

    cromoglycinezuur

    azelastine
    (kortdurend)

    dexamethason

    fluticason

    ipratropium

    levocabastine
    (kortdurend)

    mometason

    triamcinolon

    azelastine
    (langdurig)

    dimetindeen

    levocabastine
    (langdurig)

    Corticosteroïden gaan slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Daar­naast zal de hoeveelheid die systemisch beschikbaar komt na intranasale toediening laag zijn. Deze middelen kunnen gebruikt worden tijdens de borstvoeding.

    Van azelastine en levocabastine is de dosis voor nasaal gebruik zo laag dat het zeer onwaarschijnlijk is dat dit leidt tot klinisch relevante hoeveelheden in de moedermelk. Kortdurend gebruik is geen reden om de borstvoeding te staken. Langdurig gebruik wordt afgeraden vanwege gebrek aan ervaring met deze middelen. Er zijn geen data over het gebruik van ipratropium tijdens de borstvoeding. De systemische blootstelling is echter laag. Het lijkt niet waarschijnlijk dat er grote hoeveelheden ipratropium in de borstvoeding terecht zullen komen.

    Voor cromoglicinezuur zie Antihistaminica en overige middelen.

    Antibiotica bij neusaandoeningen

    Waarschijnlijk vei­lig

    framycetine

    mupirocine

    Mupirocine wordt nauwelijks geabsorbeerd bij lokaal gebruik. Er wordt niet verwacht dat de zuigeling klinisch relevante hoeveelheden van het middel binnenkrijgt. Er is ech­ter geen ervaring met het gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding. Dit middel wordt ook therapeutisch gebruikt bij neonaten en prematuren, waarbij wel enige absorptie is gezien, maar zonder nadelige effecten.

    Het is mogelijk dat aminoglycosiden (framycetine) door de zuigeling worden opgeno­men vanuit het maagdarmkanaal, en dat bovendien stapeling optreedt door de tragere eliminatie. De absolute hoeveelheid waaraan de zuigeling wordt blootgesteld na lokaal gebruik door de moeder is echter zeer beperkt. Het is onwaarschijnlijk dat de dosis die de zuigeling binnenkrijgt, klinisch relevant is. Zeker bij de iets oudere zuigelingen kan borstvoeding waarschijnlijk worden voortgezet, maar bij neonaten moet het gebruik van aminoglycosiden door de moeder worden afgewogen.

    Middelen bij ooraandoeningen

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Mogelijk risico

    azijnzuur

    bacitracine

    dexamethason

    flumetason

    fluocinolon

    framycetine

    gramicidine

    hydrocortison

    lidocaïne

    miconazol

    triamcinolon

    waterstof-
    peroxide, 3%

    aluminium-
    acetotartraat

    clioquinol

    colistine

    neomycine

    ofloxacine

    oxytetracycline

    polymyxine B

    chlooramfenicol

    In principe kunnen oordruppels worden gebruikt tijdens de borstvoeding, aangezien het om minimale hoeveelheden gaat en de absorptie uit de gehoorgang gering is. Beschre­ven ervaring tijdens de borstvoeding is er echter nauwelijks. De voorkeur gaat uit naar de (oudere) middelen waar veel ervaring mee is.

    Chlooramfenicol gaat over in de moedermelk. Bij systemisch gebruik van chlooramfe­nicol door de moeder aan het eind van de zwangerschap zijn meerdere nadelige effec­ten voor zuigelingen gemeld (braken, gasvorming in de darmen, weigeren van de borst, in slaap vallen tijdens de voeding). Bij gebruik in de kindergeneeskunde zijn beenmerg­depressie en het grey-babysyndroom (asgrijze huidskleur/cyanose, gezwollen buik, hypothermie, lethargie, cardiovasculaire collaps en ademhalingsdepressie) beschreven. Het is onwaarschijnlijk dat deze effecten bij gebruik van oordruppels optreden na bloot­stelling via de moedermelk. Desondanks wordt chlooramfenicol vanwege het mogelijk toxische effect bij voorkeur vermeden tijdens de borstvoeding.

    Ophthalmologica

    Bij het gebruik van oogdruppels kan systemische absorptie via het traanvocht optreden. Dit kan worden verminderd door de traanbuis na het druppelen enkele minuten dicht te drukken. Bij gebruik van oogdruppels wordt de systemische blootstelling van de moeder laag geacht, waardoor ook de overgang naar de melk minimaal zal zijn. De meeste oog­druppels kunnen dus worden gecombineerd met het geven van borstvoeding, ook al is niet precies bekend hoeveel van het geneesmiddel in de moedermelk terechtkomt. Onderstaand zullen per groep geneesmiddelen de eventuele bezwaren (voor zover bekend) worden vermeld. Bij twijfel kan ook de aanbeveling voor de systemische toe­passing worden geraadpleegd. De oudere en veel voorgeschreven middelen hebben de voorkeur.

    Decongestiva

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    nafazoline
    (kortdurend)

    oxymetazoline
    (kortdurend)

    fenylefrine, 0,125% of 0,25%

    tetryzoline

    De voorkeur gaat uit naar oxymetazoline. Dit middel kan kortdurend worden toegepast. Om het systemisch effect te beperken wordt aangeraden de traanbuis na het toedienen van de oogdruppel gedurende enkele minuten dicht te drukken.

    Fenylefrine zou in theorie de melkproductie kunnen verminderen. Echter, bij oculaire toediening is dit onwaarschijnlijk gezien de minimale systemische absorptie. Gezien de werking (vasoconstrictie) van fenylefrine wordt herhaalde toediening niet geadviseerd

    Van nafazoline zijn geen gegevens over gebruik tijdens de borstvoeding. Echter, de gebruikte concentratie en de systemische belasting bij oculaire toediening zijn zeer laag.

    Mydriatica

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    atropine
    (kortdurend)

    cyclopentolaat
    (kortdurend)

    homatropine
    (kortdurend)

    tropicamide
    (kortdurend)

    fenylefrine ³ 2,5%

    Het is onbekend of deze stoffen overgaan in de moedermelk. In theorie kunnen deze middelen de melkproductie verminderen en anticholinerge bijwerkingen geven bij de zuigeling. Echter, bij oculaire toediening is dit onwaarschijnlijk, gezien de minimale systemische absorptie. Eenmalige toediening voor diagnostisch gebruik zal geen pro­bleem zijn. Om het systemisch effect te beperken wordt aangeraden de traanbuis na het toedienen van de oogdruppel gedurende enkele minuten dicht te drukken. Gezien de werking (vasoconstrictie) van fenylefrine wordt herhaalde toediening niet geadvi­seerd.

    Middelen bij glaucoom

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    betaxolol

    bimatoprost

    carteolol

    latanoprost

    levobunolol

    pilocarpine

    tafluprost

    timolol

    travoprost

    acetazolamide

    apraclonidine

    brimonidine

    brinzolamide

    dorzolamide

    De selectieve bèta-blokker betaxolol en de niet-selectieve bèta-blokkers carteolol, levo­bunonol en timolol gaan in wisselende, maar meestal geringe hoeveelheden over in de melk. Daarom zijn (in theorie) bèta-blokker-effecten (bradycardie, hypoglykemie en hypotensie) niet uit te sluiten bij de zuigeling. Echter, gezien de geringe systemische absorptie bij de moeder na oculaire toediening, kan borstvoeding worden voortgezet bij gebruik van van deze bètablokkers. Betaxolol en timolol hebben de voorkeur, omdat daar de meeste ervaring mee is opgedaan. In een case-report werd gemeld dat een zeer geringe hoeveelheid timolol in de moedermelk terechtkwam; de relatieve kinddosis was 0,024%. Hiervan wordt geen klinisch effect verwacht.

    Van de prostaglandines (bimatoprost, latanoprost, tafluprost en travoprost) en van pilo­carpine ontbreekt gedocumenteerde ervaring bij gebruik tijdens de borstvoedingsperi­ode. Echter, bij gebruik van deze oogdruppels is het zeer onwaarschijnlijk dat klinisch relevante blootstelling van de zuigeling optreedt.

    Acetazolamide wordt systemisch gebruikt. Uit beperkte gegevens blijkt dat slechts kleine hoeveelheden in de moedermelk terechtkomen (de relatieve kinddosis is circa 1,9%).

    Gedocumenteerde ervaring met apraclonidine, brinzolamide, brimonidine en dorzo­lamide tijdens de borstvoeding ontbreekt vrijwel.

    Bij toepassing van brimonidine oogdruppels direct bij neonaten zijn wel effecten gerap­porteerd (bradycardie, hypotensie, hypothermie en apneu). Kennelijk zijn sommige neonaten gevoelig voor lage doseringen. Daarom wordt brimonidine bij voorkeur niet gebruikt tijdens de borstvoedingsperiode.

    Lokaal toegepaste middelen bij ooginfecties

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Mogelijk risico

    aciclovir

    azitromycine

    erytromycine

    fusidinezuur

    chloortetracycline
    (kortdurend)

    ciprofloxacine

    framycetine

    gentamicine

    ganciclovir

    moxifloxacine

    neomycine

    ofloxacine

    oxytetracycline
    (kortdurend)

    polymyxine B

    povidonjodium
    (lage dosis)

    tetracycline
    (kortdurend)

    tobramycine

    chlooramfenicol

    De ervaring met chinolonen (ciprofloxacine en ofloxacine) tijdens de borstvoedingsperi­ode is zeer beperkt. Systemisch gebruik van chinolonen wordt afgeraden tijdens de borstvoeding, omdat chinolonen in dierproeven kraakbeenafwijkingen kunnen geven bij jonge dieren. Ciprofloxacine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk; ofloxacine in nog mindere mate. Het is onwaarschijnlijk dat deze minimale hoeveelhe­den tot effecten bij de zuigeling kunnen leiden, zeker bij gebruik van oogdruppels.

    Oogdruppels met tetracyclines (chloortetracycline, oxytetracycline, tetracycline) kunnen gebruikt worden als kuur van 1 tot 2 weken.

    Aminoglycosiden (framycetine, gentamicine, neomycine, tobramycine) gaan in beperkte hoeveelheden over in de moedermelk en worden door de zuigeling nauwelijks oraal geabsorbeerd. Echter, bij prematuren kan wel opname vanuit het maagdarmkanaal plaatsvinden. In theorie kan stapeling optreden, doordat aminoglycosiden bij jonge zui­gelingen langzamer worden geëlimineerd. In de eerste weken van de lactatieperiode moet bij prematuren het gebruik van aminoglycosiden worden beperkt; dit geldt echter vooral voor systemisch gebruik. Bij oogdruppels is de blootstelling via de melk waar­schijnlijk verwaarloosbaar klein.

    Over ganciclovir tijdens de borstvoedingsperiode zijn geen gegevens. Waarschijnlijk komt er bij gebruik van de oogdruppels heel weinig systemisch beschikbaar, maar gezien de mogelijke effecten van dit middel is enige terughoudendheid geboden.

    Chlooramfenicol gaat over in de moedermelk. Bij systemisch gebruik van chlooramfe­nicol door de moeder aan het eind van de zwangerschap zijn meerdere nadelige effec­ten voor zuigelingen gemeld (braken, gasvorming in de darmen, weigeren van de borst, in slaap vallen tijdens de voeding). Bij gebruik in de kindergeneeskunde zijn beenmerg­depressie en het grey-babysyndroom (asgrijze huidskleur/cyanose, gezwollen buik, hypothermie, lethargie, cardiovasculaire collaps en ademhalingsdepressie) beschreven. Het is onwaarschijnlijk dat deze effecten optreden na blootstelling via de moedermelk bij gebruik van oogdruppels. Desondanks moet chlooramfenicol vanwege het potentieel toxische effect niet worden voorgeschreven tijdens de borstvoeding.

    Jodium gaat vanuit de bloedbaan gemakkelijk over in de moedermelk en kan daar sta­pelen waardoor de schildklierfunctie van de zuigeling kan worden beïnvloed. Jodium uit povidonjodium oogdruppels kan via het slijmvlies van de traanwegen en de nasofarynx in de bloedbaan worden geresorbeerd. Aangezien niet kan worden uitgesloten dat povidonjodium uit oogdruppels in de moedermelk komt, is een effect op de zuigeling ook niet uit te sluiten. De kans op significante overgang naar de melk is echter bij nor­maal gebruik van de oogdruppels, zeker als de traanbuis enkele minuten wordt dichtge­drukt, minimaal.

    Ophthalmologica met corticosteroïden

    Meest veilig, handhaven

    dexamethason

    fluormetholon

    hydrocortison

    prednisolon

    Corticosteroïden gaan slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Boven­dien is bij oculaire toepassing de systemische belasting van de moeder laag. Een behandeling van 1 tot 2 weken zal geen bezwaar opleveren voor de zuigeling.

    Middelen bij allergische conjunctivitis

    Waarschijnlijk veilig

    azelastine

    emedastine

    epinastine

    ketotifen

    levocabastine

    lodoxamide

    olopatadine

    Hoewel ervaring met levocabastine tijdens de borstvoeding beperkt is, kunnen oog­druppels vanwege de geringe systemische absorptie worden gebruikt.

    Na oculaire toediening van verschillende doses ketotifen per dag zijn er geen plasma­spiegels meetbaar. Daarom kan ketotifen gebruikt worden tijdens de borstvoeding.

    Azelastine heeft een bittere smaak. Het gaat waarschijnlijk nauwelijks over in de moe­dermelk. De bittere smaak kan mogelijk leiden tot het weigeren van de borstvoeding door de zuigeling.

    Er zijn geen gegevens over emedastine, epinastine, lodoxamide en olopatadine tijdens de borstvoeding. Gezien de geringe systemische absorptie zijn negatieve effecten onwaarschijnlijk.

    Voor informatie over cromoglicinezuur en nedocromil, zie Antihistaminica en overige middelen.

    Middelen bij droge ogen

    Meest veilig, handhaven

    carbomeer

    carmellose

    hypromellose

    methylcellulose

    po(ly)vidon

    Kunstmatig traanvocht kan tijdens de borstvoeding worden gebruikt. Er is geen gedocu­menteerde ervaring tijdens de borstvoeding. Echter, bovengenoemde stoffen worden niet geabsorbeerd, waardoor nadelige effecten op de zuigeling onwaarschijnlijk zijn.

    Overige ophthalmologica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    EDTA (natrium­edetaat)

    natriumchloride

    lidocaïne

    acetylcholine

    broomfenac

    chloorhexidine

    ciclosporine

    diclofenac

    fluoresceïne

    indometacine

    ketorolac

    nepafenac

    oxybuprocaïne

    tetracaïne

    Fluoresceïne kan als diagnosticum (oogdruppels of i.v. injectie) tijdens de borstvoeding worden gebruikt. Ook EDTA, lidocaïne en natriumchoride oogdruppels kunnen worden toegepast.

    Er zijn geen gegevens over de overige middelen tijdens de borstvoeding. Gezien de geringe systemische absorptie zijn negatieve effecten onwaarschijnlijk.

    Middelen bij infectieziekten

    Antimicrobiële middelen

    Antimicrobiële middelen gaan in het algemeen in kleine hoeveelheden over in de moe­dermelk. Er zijn minimale concentraties in het plasma van zuigelingen aangetroffen. Theoretisch is het mogelijk dat de darmflora van de zuigeling wordt beïnvloed. Dit leidt hooguit tot wat dunnere ontlasting. Bij het maken van een afweging kan het nuttig zijn de ervaring bij de behandeling van neonaten te betrekken (zie kinderformularium).

    Penicillines

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    amoxicilline

    amoxicilline + clavulaanzuur

    ampicilline

    flucloxacilline

    piperacilline

    piperacilline + tazobac­tam

    benzylpenicilline

    feneticilline

    fenoxymethylpenicilline

    Penicillines gaan in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Ze kunnen wor­den gebruikt tijdens de borstvoeding. De kans op het ontstaan van een allergische reac­tie bij de zuigeling is minimaal.

    Ook clavulaanzuur gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Indien nodig kan clavulaanzuur in combinatie met amoxicilline worden voorgeschreven.

    Cefalosporines

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    cefaclor

    cefadroxil

    cefalexine

    cefalotine

    cefamandol

    cefazoline

    ceftazidim

    ceftriaxon

    cefuroxim

    cefuroximaxetil

    cefepim

    cefotaxim

    ceftibuten

    ceftolozaan

    Cefalosporines komen slechts in geringe hoeveelheden in de moedermelk terecht. Ze kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoeding. Op basis van ervaring hebben de oudere cefalosporines de voorkeur (cefaclor, cefalexine, cefalotine, cefamandol, cefazo­line, cefuroxim, cefuroximaxetil).

    Cefalotine, cefamandol, cefazoline, cefotaxim, ceftazidim en ceftriaxon worden oraal niet of nauwelijks geabsorbeerd, waardoor effecten op de zuigeling onwaarschijnlijk zijn.

    Overige bètalactam-antibiotica

    Waarschijnlijk veilig

    aztreonam

    ertapenem

    imipenem + cilasta­tine

    meropenem

    Het is onwaarschijnlijk dat bètalactam-antibiotica nadelige effecten hebben op de zuige­ling. Gedocumenteerde ervaring is echter zeer beperkt.

    Aztreonam, imipenem en meropenem gaan in kleine hoeveelheden over in de moeder­melk, maar worden nauwelijks geabsorbeerd. Effecten op de zuigeling zijn daardoor onwaarschijnlijk.

    Er zijn geen of zeer beperkte gegevens over de uitscheiding van ertapenem in de moe­dermelk. Doordat dit middel nauwelijks wordt geabsorbeerd, zijn negatieve effecten op de zuigeling onwaarschijnlijk.

    Tetracyclines

    Kortdurend gebruik

    Waarschijnlijk veilig

    demeclocycline

    doxycycline

    lymecycline

    minocycline

    tetracycline

    tigecycline

    Langdurig gebruik

    Mogelijk risico

    demeclocycline

    doxycycline

    lymecycline

    minocycline

    tetracycline

    tigecycline

    Tetracyclines gaan in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. De concentratie in de moedermelk is veel lager dan die in het plasma van de moeder. Ze zijn voor zover bekend niet in het serum van zuigelingen aangetoond.

    Tetracyclines worden voor een deel geïnactiveerd door het in de moedermelk aanwezige calcium. Omdat voor doxycycline en minocycline de complexvorming met calcium min­der groot is, bestaat bij deze middelen de kans op een grotere opname door de zuige­ling. In het geval van een korte kuur (< 3 weken) is het onwaarschijnlijk dat gebit en botten worden aangetast door deze minimale hoeveelheden. Effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Bij langdurig gebruik, zoals bij acne, kan beter geen borstvoeding worden gegeven.

    Aminoglycosiden

    Waarschijnlijk veilig

    amikacine

    gentamicine

    kanamycine

    neomycine

    spectinomycine

    tobramycine

    Aminoglycosiden worden vrijwel niet uit het maagdarmkanaal opgenomen en worden daarom intramusculair of intraveneus toegediend. Mogelijk kunnen aminoglycosiden wel worden opgenomen uit het maagdarmkanaal van jonge zuigelingen en prematuren. Bovendien kan daarbij stapeling optreden door de tragere eliminatie. Tijdens de borst­voeding van neonaten dienen aminoglycosiden alleen op strikte indicatie te worden toe­gepast. Bij de wat oudere zuigelingen is de verwachting dat de opname uit het maagdarmkanaal gering is. De verwachting is dat de borstvoeding in dat geval kan wor­den voorgezet.

    Van tobramycine en kanamycine is bekend dat het slechts in kleine hoeveelheden in de moedermelk terechtkomt.

    Amikacine is in minimale hoeveelheden aangetoond in de moedermelk; de ervaring met dit middel is beperkt.

    Gentamicine is aangetoond in het serum van zuigelingen (bij 5 van de 10 neonaten in een studiegroep). Waarschijnlijk zijn deze hoeveelheden niet klinisch relevant. Er is één geval beschreven van een hemorragische enteritis bij een zuigeling na gelijktijdig gebruik van clindamycine en gentamicine door de moeder. De neonaat zelf werd behan­deld met gentamicine en ampicilline. Na stoppen van het geven van borstvoeding trad herstel op.

    Macroliden en lincomycinen

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    azitromycine

    claritromycine

    clindamycine

    erytromycine

    lincomycine

    roxitromycine

    spiramycine

    telitromycine

    Erytromycine en roxitromycine gaan in zeer kleine hoeveelheden over in de moeder­melk en kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoeding. Er bestaat discussie over de relatie tussen het optreden van pylorusstenose en erytromycinegebruik (door de neo­naat of blootstelling via borstvoeding); een causaal verband is tot op heden niet aange­toond.

    Ook lincomycine komt in zeer kleine hoeveelheden in de moedermelk, maar ervaring met het gebruik tijdens de borstvoeding ontbreekt.

    Azitromycine en claritromycine gaan in iets grotere hoeveelheden over in de moeder­melk. Azitromycine heeft een lange halfwaardetijd waardoor stapeling kan optreden. Dit lijkt niet tot klinisch relevante spiegels te leiden.

    Clindamycine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Het is niet waar­schijnlijk dat deze kleine hoeveelheden nadelige effecten op de zuigeling hebben. Er is één geval beschreven van een hemorragische enteritis bij een zuigeling na gelijktijdig gebruik van clindamycine en gentamicine door de moeder. Na stoppen van het geven van borstvoeding trad herstel op.

    Er zijn geen gegevens over spiramycine en telitromycine.

    Sulfonamiden en trimethoprim

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    trimethoprim

    co-trimoxazol

    sulfamethoxazol

    sulfadiazine

    sulfametrol

    De verschillende sulfonamiden gaan in wisselende hoeveelheden over in de moeder­melk. Zij kunnen hyperbilirubinemie en hemolytische anemie bij G6PD-deficiënte zuige­lingen en prematuren veroorzaken. Bij gebruik van sulfamethoxazol is de kans hierop waarschijnlijk niet zo groot, omdat dit middel slechts in kleine hoeveelheden in de moe­dermelk overgaat.

    G6PD-deficiëntie is een erfelijke aandoening en komt met name voor bij mensen die afkomstig zijn uit het Middellandse Zeegebied, Suriname, de Antillen, Azië en Afrika. In de oorspronkelijke Noord-Europese bevolking is de incidentie laag (0,1%) (zie ook CI 041 G6PD-deficiëntie).

    Trimethoprim gaat in geringe mate over in de moedermelk. Borstvoeding kan worden gehandhaafd tijdens het gebruik.

    Co-trimoxazol is een combinatie van trimethoprim en sulfamethoxazol.

    Chinolonen

    Risico onbekend

    ciprofloxacine

    levofloxacine

    moxifloxacine

    norfloxacine

    ofloxacine

    pipemidinezuur

    Er is weinig ervaring met het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding. Voor zover bekend gaan chinolonen in wisselende hoeveelheden over in de moedermelk. Ciprofloxacine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk; ofloxacine in nog mindere mate. Effecten op de zuigeling zijn weinig bestudeerd. Omdat chinolonen kraakbeenveranderingen kunnen geven in jonge dieren, wordt het gebruik van deze middelen afgeraden tijdens het geven van borstvoeding. Bij gebruik van chinolonen in de kindergeneeskunde wordt geen nadelige effecten op de kraakbeenvorming gezien.

    Middelen bij urineweginfecties

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    nitrofurantoïne

    trimethoprim

    fosfomycine

    methenamine

    nifurtoïnol

    Tijdens de borstvoeding gaat de voorkeur uit naar nitrofurantoïne of trimethoprim.
    Nitrofurantoïne gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Het is onwaar­schijnlijk dat deze hoeveelheden een hemolytische anemie kunnen veroorzaken bij de zuigeling. In de eerste maand postpartum, en vooral bij prematuren en bij G6PD-defi­ciente zuigelingen, moet men echter wel alert te zijn op hemolytische anemie bij de zui­geling.
    G6PD-deficiëntie is een erfelijke aandoening en komt met name voor bij de bevolking afkomstig uit het Middellandse Zeegebied, Suriname, de Antillen, Azië en Afrika. In de oorspronkelijke Noord-Europese populatie bedraagt de incidentie 0,1% (zie ook CI 041 G6PD-deficiëntie).

    Er is weinig ervaring met het gebruik van methenamine dat, voor zover bekend, slechts in geringe hoeveelheden in de moedermelk terechtkomt. Amandelzuur komt in grote hoeveelheden in de moedermelk terecht. Methenamine-amygdalaat (een verbinding van methenamine met amandelzuur) moet daarom bij voorkeur niet tijdens de borst­voeding worden gebruikt.

    Op grond van beperkte data wordt aangenomen dat fosfomycine overgaat in de moe­dermelk. De therapie bestaat uit een eenmalige dosis van 3 gram en binnen 24 uur is het middel geklaard. Blootstelling van de zuigeling aan fosfomycine kan worden beperkt door te kolven (na 24 uur kolven is het niet te verwachten dat de moedermelk nog fos­fomycine bevat en dat de zuigeling daaraan wordt blootgesteld). Na het gebruik van fosfomycine, eenmalig 3 gram, kan de borstvoeding dus na 24 uur worden hervat.

    Er zijn geen gegevens over nifurtoïnol.

    Trimethoprim: zie Sulfonamiden en trimethoprim.

    Chinolonen: zie Chinolonen.

    Middelen bij luchtweginfecties

    De meeste middelen die bij luchtweginfecties worden voorgeschreven kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt. Chinolonen vormen een uitzondering.

    Voor meer informatie, zie Cefalosporines, zie Chinolonen, zie Penicillines of zie Sulfona­miden en trimethoprim.

    Tuberculosemiddelen

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    ethambutol

    isoniazide

    pyrazinamide

    rifampicine

    bedaquiline

    rifabutine

    Isoniazide gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk, maar er zijn nooit nadelige effecten bij de zuigeling gemeld. Men moet bedacht zijn op levertoxiciteit bij de zuigeling. Bij gebruik van isoniazide moet tevens vitamine B6 worden gebruikt. Ethambutol, pyrazinamide en rifampicine gaan in kleine hoeveelheden over in de moe­dermelk en kunnen ook op indicatie gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Er zijn geen gegevens bekend over gebruik van bedaquiline en rifabutine tijdens de borstvoeding.

    Antileprotica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    rifampicine

    thalidomide

    dapson

    Rifampicine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk.
    Dapson komt in relatief grote hoeveelheden in de moedermelk terecht. Dapson en de metabolieten ervan zijn ook aangetoond in het serum van de zuigeling. Er is één geval bekend van hemolytische anemie bij de zuigeling. Zuigelingen met een G6PD-deficiën­tie en prematuren hebben een verhoogd risico op hemolytische anemie. G6PD-deficiën­tie is een erfelijke aandoening en komt met name voor bij mensen die afkomstig zijn uit het Middellandse Zeegebied, Suriname, de Antillen, Azië en Afrika. In de oorspronke­lijke Noord-Europese bevolking is de incidentie laag (0,1%) (zie ook CI 041 G6PD-defi­ciëntie). Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van thalidomide tijdens de borstvoeding.

    Overige antimicrobiële middelen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    vancomycine

    daptomycine

    metronidazol
    (eenmalig)

    colistine

    fidaxomicine

    fusidinezuur

    linezolid

    metronidazol
    (langdurig)

    teicoplanine

    thiamfenicol

    Vancomycine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk, bovendien wordt het nauwelijks geresorbeerd vanuit het maagdarmkanaal. Hoewel de gedocumenteerde ervaring beperkt is, verwacht men daarom geen nadelige effecten voor het kind.

    Gegevens over thiamfenicol ontbreken. Thiamfenicol dient niet te worden gebruikt tij­dens de borstvoeding. Er zijn bij het systemisch gebruik van het verwante chlooramfe­nicol meerdere nadelige effecten voor zuigelingen gemeld, die lijken op het zogenaamde grey-babysyndroom (asgrijze huidskleur/cyanose, gezwollen buik, hypo­thermie, lethargie, cardiovasculaire collaps en ademhalingsdepressie).

    Minimale overgang van daptomycine in de moedermelk wordt beschreven in één case-report. Bovendien wordt daptomycine slecht vanuit de darm opgenomen.

    Er is geen ervaring met colistine, fidaxomicine, fusidinezuur, linezolid en teicoplanine.

    Metronidazol: zie Overige antiprotozoica.

    Anthelminthica

    Waarschijnlijk vei­lig

    albendazol

    ivermectine

    mebendazol

    niclosamide

    praziquantel

    Mebendazol en niclosamide worden slechts in geringe mate geresorbeerd en worden tij­dens de borstvoeding goed verdragen door de zuigeling. Albendazol gaat in minimale hoeveelheden over in de moedermelk. De orale absorptie is beperkt (< 5%). Nadelige effecten op de neonaat zijn onwaarschijnlijk. Praziquantel gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Indien noodzakelijk kan het tijdens de borstvoeding worden toegepast. Ivermectine gaat over in de moedermelk, maar de ervaring met het gebruik tijdens de borstvoeding is zeer beperkt. Er zijn geen nadelige effecten te verwachten na een eenmalige dosering.

    Antiprotozoica

    Malariamiddelen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    chloroquine
    (profylaxe)

    hydroxychloroquine
    (profylaxe)

    kinine

    proguanil

    doxycycline
    (kortdurend)

    pyrimethamine

    artemether +
    lumefantrine

    artemotil

    artenimol +
    piperaquine

    artesunaat

    atovaquon +
    proguanil

    chloroquine
    (behandeling)

    hydroxychloroquine
    (behandeling)

    mefloquine

    primaquine

    doxycycline
    (langdurig)

    Profylaxe
    Neonaten zijn gevoelig voor chloroquine. Chloroquine gaat in relatief grote hoeveelhe­den over in de moedermelk. Hydroxychloroquine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Gezien de lange halfwaardetijd zou stapeling kunnen optreden, maar hier­over zijn geen gegevens bekend. Nadelige effecten op de zuigeling zijn echter niet gemeld bij gebruik van chloroquine en hydroxychloroquine als malariaprofylaxe. Progu­anil gaat ook over in de moedermelk en wordt door de zuigeling goed verdragen. Deze middelen zijn eerste-keuzemiddelen. Ze kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt in de gebruikelijke dosering voor malariaprofylaxe.

    Mefloquine gaat in minimale hoeveelheden over in de moedermelk, maar gezien de extreem lange halfwaardetijd (14–18 dagen) is stapeling bij langdurig gebruik niet uit­gesloten. Met het gebruik van atovaquon is geen gedocumenteerde ervaring.

    Tetracyclines worden voor een deel geïnactiveerd door het in de moedermelk aanwezige calcium. Omdat voor doxycycline de complexvorming met calcium minder groot is, bestaat bij deze middelen de kans op een grotere opname door de zuigeling. In het geval van een korte kuur (< 3 weken) is het onwaarschijnlijk dat gebit en botten wor­den aangetast door deze minimale hoeveelheden. Effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Bij langdurig gebruik kan beter geen borstvoeding worden gegeven.

    Voor informatie over diëthyltoluamide (DEET): zie Diverse preparaten.

    Aanvalsbehandeling
    Kinine gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk en kan worden gebruikt tij­dens de borstvoeding. Pyrimethamine, dat ook bij toxoplasmose en Pneumocystis cari­nii-pneumonie wordt gebruikt, komt in grotere hoeveelheden in de moedermelk terecht, maar kan zo nodig wel gebruikt worden tijdens de borstvoeding. Er zijn geen of onvoldoende gegevens over het gebruik van artemether + lumefantrine, artemotil en primaquine.

    Overige antiprotozoica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    metronidazol
    (eenmalig)

    metronidazol
    (langdurig)

    ornidazol

    pentamidine

    tinidazol

    clioquinol

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met systemisch gebruik van clioquinol bij amoebi­asis tijdens de borstvoeding. Het middel bevat jodium. Jodium kan de schildklierfunctie van de zuigeling beïnvloeden en moet daarom vermeden worden.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van ornidazol en pentamidine tij­dens de borstvoeding.

    Tinidazol gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk, het effect hiervan op de zuigeling is onbekend en gebruik tijdens de borstvoeding wordt daarom afgera­den.

    Metronidazol gaat over in de moedermelk. De halfwaardetijd is bij zuigelingen (vooral bij prematuren) verlengd, waardoor stapeling kan optreden. Er zijn geen duidelijke aan­wijzingen voor nadelige effecten bij de zuigeling. Maximale melkconcentraties worden 2 tot 4 uur na inname van een eenmalige dosis bereikt. Gezien deze gegevens is er, indien metronidazol als eenmalige dosis wordt gegeven, geen reden om de borstvoe­ding te stoppen.

    Antivirale middelen

    Antiretrovirale middelen bij HIV

    Risico, stoppen

    abacavir

    atazanavir

    cobicistat

    darunavir

    didanosine

    dolutegravir

    efavirenz

    elvitegravir

    emtricitabine

    enfuvirtide

    etravirine

    fosamprenavir

    indinavir

    lamivudine

    lopinavir

    maraviroc

    nevirapine

    raltegravir

    rilpivirine

    ritonavir

    saquinavir

    stavudine

    tenofovir

    tipranavir

    zidovudine

    In westerse landen wordt het geven van borstvoeding bij een maternale hiv-infectie afgeraden. Er bestaat een klein risico dat hiv via de moedermelk wordt overgedragen aan het kind.

    Lamivudine, nevirapine en zidovudine gaan over in de moedermelk.

    Antiretrovirale middelen bij hepatitis B

    Waarschijnlijk

    veilig

    Risico onbekend

    lamivudine

    peginterferon alfa

    adefovir

    entecavir

    telbivudine

    tenofovir

    Lamivudine gaat over in de moedermelk. De data zijn beperkt, maar laten geen nade­lige effecten zien.

    Peginterferon alfa is een groot molecuul waardoor de overgang in de moedermelk beperkt zal zijn. De orale absorptie van peginterferon alfa is beperkt. Er is geen gedocu­menteerde ervaring, maar er worden geen nadelige effecten verwacht. De halfwaarde­tijd van peginterferon alfa is door de pegylering aanmerkelijk toegenomen ten opzicht van interferon alfa.

    Er is weinig tot geen ervaring met het gebruik van adefovir, entecavir, telbivudine en tenofovir tijdens de borstvoeding.

    Overige antivirale middelen

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    aciclovir
    (lokaal of oraal)

    valaciclovir

    aciclovir
    (intraveneus)

    interferon alfa

    lamivudine 

    oseltamivir

    peginterferon alfa

    zanamivir

    amantadine

    boceprevir

    brivudine

    cidofovir

    daclatasvir

    dasabuvir

    famciclovir

    foscarnet

    ganciclovir

    ledipasvir

    ombitasvir

    paritrapevir

    ribavirine

    simeprevir

    sofosbuvir

    valganciclovir

    Bij oraal gebruik gaan slechts kleine hoeveelheden aciclovir over in de moedermelk en nadelige effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Oraal gebruik van aciclovir is op indicatie mogelijk tijdens de borstvoeding. Met het gebruik van intraveneus toegediend aciclovir is onvoldoende ervaring.

    Voor lokale toepassing van aciclovir, zie Antimicrobiële en antivirale middelen voor lokaal gebruik, of zie Lokaal toegepaste middelen bij ooginfecties.

    Valaciclovir wordt snel omgezet naar aciclovir. In een studie werd valaciclovir na orale toediening niet in maternaal serum of in de moedermelk aangetoond. De metaboliet aciclovir werd in deze situatie wel in borstvoeding aangetoond.

    Oseltamivir gaat in minimale hoeveelheden over in de moedermelk. Effecten op de zui­geling zijn niet bestudeerd. Ook van zanamivir zijn geen humane data, maar men ver­wacht geen problemen vanwege de lage systemische belasting van moeder en lage orale beschikbaarheid.

    Interferon alfa is een groot molecuul waardoor de overgang in de moedermelk beperkt zal zijn. De orale absorptie van interferon alfa is beperkt. Er is geen gedocumenteerde ervaring. Dit geldt ook voor peginterferon alfa. De halfwaardetijd van peginterferon alfa is door de pegylering aanmerkelijk toegenomen ten opzicht van interferon alfa.

    Er zijn geen gegevens over de overige middelen in deze groep.

    Antimycotica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    fluconazol
    (eenmalig)

    fluconazol
    (kortdurend)

    amfotericine B, parenteraal

    anidulafungine

    caspofungine

    fluconazol
    (langdurig)

    griseofulvine

    itraconazol

    micafungine

    posaconazol

    terbinafine

    voriconazol

    flucytosine

    Fluconazol gaat in aanzienlijke hoeveelheden over in de moedermelk en heeft een lange halfwaardetijd. Bij een eenmalige dosis kan de borstvoeding worden gecontinueerd. Kortdurend gebruik kan worden afgewogen. Langdurig gebruik is beperkt gedocumen­teerd en wordt om die reden afgeraden. Fluconazol wordt soms gebruikt bij een can­dida-infectie op/in de borst van de moeder, zie Middelen bij candidiasis van de borst.

    Er zijn geen gegevens beschikbaar over anidulafungine, caspofungine, flucytosine, griseofulvine, itraconazol, micafungine, posaconazol, terbinafine en voriconazol. Van­wege de mogelijke bijwerkingen van flucytosine, zoals lever- en beenmergtoxiciteit, wordt gebruik tijdens de borstvoedingsperiode afgeraden.

    Er zijn geen gegevens over systemisch gebruik van amfotericine B. Oraal toegediend amfotericine B heeft een lokale werking, zie Middelen bij keelaandoeningen.

    Middelen bij het syndroom van Cushing

    Waarschijnlijk veilig

    ketoconazol

    Ketoconazol gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Maximale melkcon­centraties worden na ongeveer 3 uur gevonden, na 24 uur is ketoconazol niet meer in de melk aantoonbaar. Melk (een basisch milieu) beperkt de orale absorptie van ketoco­nazol. Vanwege het risico op hepatotoxiciteit wordt ketoconazol alleen nog maar voor­geschreven bij het syndroom van Cushing.

    Vaccins en immunoglobulines

    Immunoglobulinen

    Waarschijnlijk veilig

    cytomegalie-immunoglobuline

    hepatitis-B-immunoglobuline

    immunoglobuline normaal

    rhesus-D-immunoglobuline

    tetanus-immunoglobuline

    varicella zoster-immunoglobuline

    Er is geen bezwaar tegen het toedienen van immunoglobulines aan vrouwen die borst­voeding geven. Het is mogelijk dat de antistoffen via de moedermelk bij de zuigeling terechtkomen. Aanwezigheid van antistoffen in de moedermelk heeft geen nadelige effecten op de zuigeling.

    Vaccins met ontgifte toxinen of gedode micro-organismen

    Meest veilig, handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    influenza-vaccin, paren­teraal

    meningokokken-vaccin

    pneumokokken-vaccin

    tetanus-vaccin

    cholera-vaccin

    difterie-, kinkhoest-, tetanus-, poliomyelitis-vaccin (DKTP)

    difterie-, tetanus-, poliomyeli­tis-vaccin (DTP)

    haemophilus-influenzae-B-vaccin

    hepatitis-A-vaccin

    hepatitis-B-vaccin

     

    humaan-papilloma-virus-vaccin (HPV)

    Japanse encefalitis-vaccin

    poliomyelitis-vaccin,
    parenteraal

    rabiës-vaccin

    tekenmeningo-encefalitis-vaccin

    tyfus-vaccin, parenteraal

    Vaccins met levende (verzwakte) micro-organismen

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Risico, stoppen

    bof-, mazelen-, rubella-vaccin (BMR)

    varicella zoster-vaccin

    BCG-vaccin

    influenza vaccin, nasaal

    tyfus-vaccin, oraal

    gelekoorts-vaccin

    Met uitzondering van het gelekoorts-vaccin zijn er geen negatieve effecten bekend van het vaccineren van vrouwen die borstvoeding geven. Gedode vaccins kunnen tijdens de borstvoeding worden gegeven. Van de levende vaccins wordt toediening van het gele­koorts-vaccin tijdens de borstvoeding afgeraden. Indien een zwangere vrouw niet immuun is voor rubella (rode hond), is er geen bezwaar tegen inenting vlak na de bevalling. Ook tegen toediening van het gebruikelijke combinatievaccin van bof, maze­len en rode hond (BMR) bestaat geen bezwaar. Bij moeders van immuun-gecompromit­teerde kinderen wordt echter afgeraden levende vaccins toe te dienen.

    Er is één case-report van nadelige effecten (encefalitis) op de zuigeling na vaccinatie van de moeder met het gelekoorts-vaccin tijdens een epidemie. Encefalitis is een beschreven bijwerking van het gelekoorts-vaccin na toediening aan zeer jonge kinde­ren. Indien een standaard booster gegeven moet worden, kan men beter wachten tot na de borstvoedingsperiode. Bij het reizen naar een endemisch gebied moet een indivi­duele afweging worden gemaakt.

    Uit enkele studies blijkt dat het rubella-virus kan overgaan in de moedermelk na vacci­natie van de moeder. Echter, geen van de bestudeerde kinderen vertoonde duidelijke symptomen van rubella. Ondanks dat het rubella-vaccin vaak is toegediend in de peri­ode postpartum, zijn er slechts twee meldingen van kinderen die mogelijk een rubella-infectie hebben opgelopen via de borstvoeding. Omdat deze kinderen uitsluitend milde symptomen vertoonden, wordt toediening van het rubella-vaccin tijdens de borstvoe­ding niet afgeraden.

    Antistoffen van de moeder kunnen via de moedermelk bij de baby terechtkomen. Dit zorgt ervoor dat de baby gedurende de eerste weken na de geboorte afweer heeft tegen infecties. Het duurt enige tijd voor het immuunsysteem van de baby zelf in staat is om voldoende antistoffen te maken. Wanneer de zogende moeder wordt gevacci­neerd, is het heel goed mogelijk dat de antistoffen via de moedermelk bij de zuigeling terechtkomen. Dit is aangetoond voor het choleravaccin en het E. coli-vaccin. Polioanti­stoffen gaan ook over in de moedermelk en geven het kind de eerste weken bescher­ming.

    Sommige vaccins (bijvoorbeeld tetanus-vaccin) bevatten de kwikverbinding thiomersal als conserveringsmiddel. Het is onwaarschijnlijk dat deze kleine hoeveelheid ethylkwik via de borstvoeding nadelige effecten heeft op het kind. De aanwezigheid van thiomer­sal als conserveringsmiddel is geen reden om vrouwen die borstvoeding geven, niet te vaccineren.

    Hormonen en stofwisseling

    Corticosteroïden, systemisch

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Mogelijk risico

    prednisolon

    prednison

    betamethason
    (kortdurend)

    cortison

    dexamethason
    (kortdurend)

    fludrocortison

    hydrocortison

    methylprednisolon

    triamcinolon
    (kortdurend)

    betamethason
    (langdurig)

    dexamethason
    (langdurig)

    triamcinolon
    (langdurig)

    Prednisolon gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Ervaring met systemisch gebruik van prednisolon in doseringen tot 80 mg per dag, laat een relatieve kinddosis van circa 1 à 2% zien. Er zijn geen effecten gemeld op de zuigeling. Ook van eenmalige of kortdurende toediening van hogere doses wordt geen effect gezien. Er is weinig gedocumenteerde ervaring met het gebruik van andere corticosteroïden tijdens de borstvoeding.

    Prednisolon, prednison en methylprednisolon hebben de voorkeur bij systemische behandeling tijdens de borstvoeding. Ook hogere doseringen, eenmalig of gedurende enkele dagen (stootkuur), zijn geen reden om de borstvoeding te staken. Wanneer predniso(lo)n over een langere periode moet worden gebruikt, bijvoorbeeld als behan­deling van een auto-immuunziekte, kan worden overwogen om na inname 3 tot 4 uur te wachten met voeden. Indien een hogere dosis gedurende langere tijd gebruikt moet worden, moet de groei en ontwikkeling van het kind goed in de gaten worden gehou­den. Bij de toediening van 1 gram methylprednisolon gedurende 3 dagen voor een relapse van MS, wordt geadviseerd tijdens - en tot 4-6 uur na de toediening te kolven en de melk weg te gooien.

    Er is geen ervaring met het systemische gebruik van betamethason, dexamethason en triamcinolon. Uit ervaring met andere corticosteroïden blijkt dat deze middelen nauwe­lijks overgaan in de moedermelk. Kortdurend gebruik van een normale dosis zal waar­schijnlijk geen effecten geven. Langdurig gebruik kan beter worden vermeden vanwege het ontbreken van ervaring, de sterke werking van de middelen en de hogere biologi­sche beschikbaarheid. Een case-report meldt een sterke afname van de borstvoeding na een hoge dosis triamcinolon in depotvorm.
    Wanneer corticosteroïden worden gebruikt als suppletie bij bijnierschorsinsufficiëntie, kan borstvoeding gehandhaafd blijven.

    Voor rectale toediening van corticosteroïden, zie Middelen bij chronische darmontste­king. Voor inhalatie van corticosteroïden, zie Corticosteroïden. Voor lokale toediening, zie Corticosteroïden voor lokaal gebruik.

    Geslachtshormonen

    Oestrogenen

    0–8 weken postpartum

    > 8 weken postpartum

    Mogelijk risico

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    estradiol

    estriol

    ethinylestradiol

    geconjugeerde oestrogenen

    tibolon

    estradiol

    estriol, vaginaal

    ethinylestradiol, < 50 mg

    estriol, oraal

    ethinylestradiol, ³ 50 mg

    geconjugeerde oestrogenen

    tibolon

    Oestrogenen worden in geringe mate in de moedermelk uitgescheiden. Tot nu toe zijn er geen effecten op de zuigeling gezien. In diverse onderzoeken, waarbij de sub-50 pil werd vergeleken met de minipil, kwam naar voren dat de sub-50 pil de melkproductie en de samenstelling van de moedermelk negatief kan beïnvloeden bij starten kort na de bevalling. Daarnaast kan de totale duur van borstvoeding worden verminderd. Dit effect is gering, maar kan van belang zijn bij ondervoeding. Oestrogeen-bevattende anticon­ceptiva kunnen vanaf 6 tot 8 weken na de bevalling gestart worden tijdens de borstvoe­ding, bovengenoemde effecten worden dan niet meer verwacht.

    Een alternatief voor orale anticonceptie is een spiraal ofwel IUD (koperhoudend of met levonorgestrel), een condoom of een anticonceptivum dat uitsluitend progestagenen bevat.

    Progestagenen

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    desogestrel

    diënogest

    drospirenon

    etonogestrel

    gestodeen

    levonorgestrel

    lynestrenol
    (anticonceptie)

    medroxyprogesteron
    (anticonceptie)

    nomegestrol

    norelgestromin

    norethisteron
    (anticonceptie)

    norgestimaat

    progesteron

    dydrogesteron

    lynestrenol
    (hoge dosis)

    medroxyprogesteron
    (hoge dosis)

    megestrol

    norethisteron
    (hoge dosis)

    norgestrel

    ulipristal

    Progestagenen, per injectie, oraal of in een spiraal, beïnvloeden de borstvoeding niet. Progestagenen gebruikt voor anticonceptie komen niet of nauwelijks in de moedermelk terecht. In diverse onderzoeken zijn geen nadelige effecten op de zuigeling gezien. Gebruik in het kader van anticonceptie tijdens borstvoeding is algemeen geaccepteerd. Dit geldt ook voor het levonorgestrel-bevattende spiraaltje. De hoeveelheid levonorge­strel die uit het spiraaltje vrijkomt, geeft een lagere plasmaspiegel dan de injectie of orale toediening. Levonorgestrel in de morning-afterpil geeft een tienmaal hogere piek­concentratie in de moedermelk dan bij gebruik voor anticonceptie. Geadviseerd wordt de tablet in te nemen na de borstvoeding en gedurende 6 tot 8 uur na inname melk af te kolven en weg te gooien. Vervolgens kan de borstvoeding hervat worden.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van de morning-afterpil ulipristal tijdens de borstvoeding.

    Progesteron gaat nauwelijks over in de moedermelk. Met dit middel zijn er geen effec­ten gezien op de melkproductie of op de zuigeling.

    Dydrogesteron is sterk verwant aan progesteron. Hoewel er geen gegevens zijn over gebruik tijdens de borstvoeding, worden nadelige effecten niet verwacht. Gezien de indicaties van dydrogesteron (onder andere endometriose en dysmenorroe), is de kans klein dat een pasgeboren kind eraan wordt blootgesteld.

    Norethisteron in hoge dosis kan de borstvoeding onderdrukken. Daarnaast zijn er effec­ten gezien op de kwaliteit van de moedermelk (afname gehalte lactose en stikstof/eiwitten), wat kan leiden tot verminderde gewichtstoename van de zuigeling.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van zeer hoge doses progestage­nen voor de behandeling van kanker (medroxyprogesteron, megestrol, lynestrenol) tij­dens de borstvoeding.

    Anabole steroïden

    Risico onbekend

    nandrolon

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van het anabole steroïd nandrolon tij­dens de borstvoeding. Gebruik tijdens de borstvoeding wordt afgeraden.

    Antihormonen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    mifepriston
    (kortdurend)

    cyproteron

    danazol

    bromocriptine

    cabergoline

    clomifeen

    quinagolide

    tamoxifen

    Bromocriptine, cabergoline en quinagolide remmen de melkproductie door verlaging van de prolactinespiegel. Bromocriptine en cabergoline worden daarom ook als lacta­tieremmer gebruikt. Gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding zal meestal lei­den tot het stoppen van de melkproductie. Gebruik van bromocriptine in de periode na de bevalling geeft mogelijk een zeldzaam risico bij de moeder op ernstige cardiovascu­laire bijwerkingen (o.a. hypertensie, myocard infarct, CVA, shock en convulsies). Om deze reden wordt gebruik van bromocriptine als lactatieremmer afgeraden, tenzij er zwaarwegende medische redenen zijn.

    Er zijn enkele meldingen van succesvolle borstvoeding tijdens gebruik van bromocrip­tine voor de behandeling van een prolactinoom. Bromocriptine werd goed verdragen door de zuigeling. Omdat het geven van borstvoeding weinig effect heeft op de groei van een prolactinoom, zou de behandeling met bromocriptine tijdelijk kunnen worden onderbroken.

    Mifepriston gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. In een case serie was bij een dosis van 200 mg de hoeveelheid mifepriston niet meetbaar in de moedermelk; bij een dosis van 600 mg wel. De hoogste concentratie werd gezien tot 12 uur na inname van het middel. Mifepriston heeft een halfwaardetijd van 18 uur. Na een enkele dosis van 200 mg zou zonder onderbreking borstvoeding gegeven kunnen worden; bij een dosis van 600 mg kan worden overwogen 12 tot 24 uur te kolven.

    Cyproteron gaat over in de moedermelk, maar gegevens over de veiligheid tijdens de borstvoeding ontbreken.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van clomifeen en tamoxifen tijdens de borstvoeding. Clomifeen en tamoxifen kunnen de melkproductie remmen door verlaging van de prolactinespiegel. Tamoxifen heeft een lange halfwaardetijd en zou als het via de borstvoeding de zuigeling bereikt, kunnen stapelen. Gezien de anti-oestrogene wer­king van tamoxifen en het gebrek aan ervaring, wordt gebruik tijdens de borstvoeding afgeraden.

    Gegevens over danazol ontbreken. Gebruik tijdens de borstvoeding wordt afgeraden.

    Hormonen van de hypofysevoorkwab

    Waarschijnlijk veilig

    choriongonadotrofine

    choriongonadotropine alfa

    corifollitropine alfa

    follitropine alfa

    follitropine bèta

    lutropine alfa

    menopauzegonadotrofine

    somatropine

    tetracosactide

    urofollitropine

     

    Er is geen literatuur over het gebruik van gonadotrope hormonen tijdens de borstvoe­ding. Gonadotrope hormonen zijn grote moleculen; overgang naar de moedermelk lijkt daarom niet waarschijnlijk. Bovendien worden deze middelen niet tot nauwelijks opge­nomen uit het maagdarmkanaal van de zuigeling. Wel kunnen deze hormonen mogelijk de borstvoeding remmen.

    In een studie met gebruik van somatropine tijdens de borstvoeding, bleek bij een klein deel van de vrouwen de melkproductie te stijgen. Er werden geen nadelige effecten gemeld. Het is niet bekend of somatropine overgaat in de moedermelk. Gezien de grootte van het molecuul lijkt dit niet waarschijnlijk. Somatropine wordt niet opgeno­men uit het maagdarmkanaal van de zuigeling.

    Er is geen ervaring met het gebruik van tetracosactide tijdens de borstvoeding. Ook dit is een groot molecuul dat slecht wordt opgenomen uit het maagdarmkanaal.

    Hormonen van de hypofyseachterkwab

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    desmopressine

    terlipressine

    Desmopressine gaat slechts in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Er is geen nadelig effect op de zuigeling gezien.
    Er zijn geen gegevens bekend over de overgang van terlipressine naar de moedermelk.

    Hypothalamushormonen

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    busereline

    gonadoreline

    gosereline

    lanreotide

    nafareline

    octreotide

    pasireotide

    somatostatine

    triptoreline

    leuproreline

    Er is vrijwel geen ervaring met het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding. De orale beschikbaarheid van deze middelen is laag, waardoor het niet waarschijnlijk is dat er via de borstvoeding een substantiële blootstelling is voor de zuigeling.

    Leuproreline kan mogelijk de borstvoeding onderdrukken, waardoor gebruik ervan mogelijk een risico is.

    Middelen bij onvoldoende melkproductie

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    domperidon
    (kortdurend)

    metoclopramide
    (kortdurend)

    De melkproductie staat onder invloed van het hormoon prolactine. Van de dopamine-antagonisten domperidon en metoclopramide is bekend dat ze de melkproductie stimu­leren door verhoging van de prolactinespiegel. Deze middelen worden soms ook gebruikt om de productie van moedermelk te verhogen, hoewel ze hiervoor niet zijn geregistreerd. Meestal kan de melkproductie niet-medicamenteus worden verhoogd door frequent te voeden en worden deze middelen hiervoor zeer beperkt toege­past. Gezien het mogelijke risico op ernstige bijwerkingen bij de moeder, dient men terughoudend te zijn met het gebruik van deze middelen. Domperidon heeft de voor­keur boven metoclopramide.

    Domperidon heeft een lage melk/plasma-ratio (0,25-0,4), een hoge mate van eiwitbin­ding (> 90%) en, een hoog molecuulgewicht en passeert de bloed-hersenbarrière in geringe mate. Het gaat slechts in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Onderzoek heeft aangetoond dat het effectief is in het verhogen van de melkproductie en geen bijwerkingen geeft bij de zuigeling. Domperidon lijkt om deze redenen het beste middel om de melkproductie te verhogen. De meest gebruikte dosering voor deze indicatie is driemaal daags 10 mg domperidon. Driemaal daags 20 mg leidt tot meer bijwerkingen bij de moeder (o.a. hartritmestoornissen). Het is niet duidelijk wat de optimale gebruiksduur van domperidon is voor deze indicatie. Er is tot nu toe geen onderzoek uitgevoerd naar de bijwerkingen voor de zuigeling op lange termijn. Langdu­rig gebruik (langer dan 1 week) wordt afgeraden in verband met mogelijke cardiale bij­werkingen bij de moeder.

    Metoclopramide gaat over in de moedermelk en passeert de bloed-hersenbarrière. Daardoor zijn (in theorie) bijwerkingen mogelijk op het zich ontwikkelende centrale zenuwstelsel, zoals sedatie en extrapiramidale verschijnselen. Bij de meeste onder­zochte zuigelingen is metoclopramide niet aangetoond in het plasma, in een enkel geval wel. Verder worden in de studies nauwelijks nadelige effecten op de zuigeling gezien. Metoclopramide wordt voor deze indicatie gebruikt in doseringen tot 45 mg per dag. Volgens de laatste aanbevelingen van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) mag metoclopramide niet langer dan 5 dagen worden gebruikt in verband met het risico op neurologische bijwerkingen bij de moeder. Verder zijn er meldingen van het ontstaan van een (postpartum) depressie na het gebruik van metoclopramide. Het middel dient bij voorkeur niet gegeven te worden aan vrouwen met een eerder doorge­maakte depressie.

    Bloedglucoseverlagende middelen

    Insulines

    Meest veilig, handhaven

    insuline aspart

    insuline degludec

    insuline detemir

    insuline glargine

    insuline glulisine

    insuline, humaan

    insuline lispro

    Insuline kan veilig tijdens de borstvoeding worden gebruikt, omdat het niet in klinisch relevante hoeveelheden overgaat in de moedermelk. Dit geldt (hoewel niet onderzocht) waarschijnlijk ook voor de insulineanaloga insuline aspart, insuline degludec, insuline detemir, insuline glargine, insuline glulisine en insuline lispro. Insuline wordt in het maagdarmkanaal van de baby geïnactiveerd. Borstvoeding kan dan ook gehandhaafd blijven.

    Sulfonylureum-derivaten

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    glibenclamide

    gliclazide

    glipizide

    gliquidon

    tolbutamide

    glimepiride

    Er zijn onvoldoende gegevens bekend over het gebruik van de meeste orale antidiabe­tica tijdens de borstvoeding. Rekening moet worden gehouden met het risico op hypog­lykemie bij de zuigeling.

    In een studie met elf vrouwen waren glibenclamide en glipizide niet detecteerbaar in de moedermelk na een eenmalige of herhaalde dosis. De plasmaglucose-niveaus bij de zuigelingen waren normaal.

    Tolbutamide gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk.

    In dierstudies is gezien dat glimepiride in grote hoeveelheden overgaat in de moeder­melk. Het gebruik van glimepiride wordt daarom afgeraden tijdens de borstvoeding.

    Overige bloedglucoseverlagende middelen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    metformine

    acarbose

    albiglutide

    alogliptine

    canagliflozine

    dapagliflozine

    dulaglutine

    empagliflozine

    exenatide

    linagliptine

    liraglutide

    lixisenatide

    pioglitazon

    repaglinide

    saxagliptine

    sitagliptine

    vildagliptine

    Met metformine is de meeste ervaring opgedaan tijdens de borstvoeding. Metformine gaat slechts in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Tot nu toe zijn er geen nadelige effecten gezien op de bloedsuikerspiegel en de ontwikkeling van de zuigeling.

    Er zijn nauwelijks gegevens bekend over het gebruik van de overige bloedglucoseverla­gende middelen tijdens de borstvoeding. Er moet rekening worden gehouden met het risico op hypoglykemie bij de zuigeling.

    Er is geen humane ervaring met het gebruik van albiglutide, dulaglutide, exenatide, liraglutide en lixisenatide tijdens de borstvoeding. In dierstudies gaan deze middelen beperkt over in de moedermelk. Het zijn grote moleculen; overgang in de moedermelk zal waarschijnlijk beperkt zijn. Bovendien worden deze middelen niet of nauwelijks opgenomen vanuit het maagdarmkanaal van de zuigeling. Het gebruik moet afgewogen worden.

    Bloedglucoseverhogende middelen

    Risico onbekend

    diazoxide

    glucagon

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van glucagon en diazoxide tij­dens de borstvoeding. Tijdens het gebruik van deze middelen moet het geven van borstvoeding tijdelijk worden gestaakt.

    Thyreomimetica en thyreostatica

    Thyreomimetica

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    levothyroxine

    liothyronine

    Levothyroxine wordt toegepast als suppletie om fysiologische schildklierhormoonspie­gels bij de moeder te bewerkstelligen en komt slechts in kleine hoeveelheden in de moedermelk terecht. Dit heeft geen effect op de schildklier van een gezonde zuigeling.

    Thyreostatica

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico, stoppen

    carbimazol

    propylthiouracil

    thiamazol

    kaliumjodide

    Propylthiouracil gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Er zijn geen mel­dingen van effecten op de schildklierfunctie van de zuigeling. Carbimazol en thiamazol gaan in grotere hoeveelheden over in de moedermelk. Tot nu toe zijn er geen meldin­gen van effecten op de schildklierfunctie van de zuigeling. Er zijn geen aanwijzingen dat gebruik van lage doseringen thyreostatica (propylthiouracil < 300 mg/dag en thiamazol < 20 mg/dag) tijdens de borstvoeding schadelijk is voor de zuigeling. Overwogen kan worden om de schildklierfunctie van de zuigeling te controleren, zeker als hoge doserin­gen worden toegepast.

    Kaliumjodide gaat over in de moedermelk en concentreert zich hierin (gemelde M/P-ratio’s variëren tussen 15 en 23). Het kan bij het kind een ernstige schildklierdepressie en struma veroorzaken. Kaliumjodide wordt daarom afgeraden tijdens de borstvoeding.

    Calciumregulerende middelen

    Het geven van borstvoeding leidt tot een versnelde demineralisatie van de botten van de moeder.

    Bisfosfonaten

    Risico onbekend

    alendroninezuur

    clodroninezuur

    ibandroninezuur

    pamidroninezuur

    risedroninezuur

    zoledroninezuur

    Gebruik van bisfosfonaten tijdens de borstvoeding wordt afgeraden. Er zijn weinig gegevens bekend over het gebruik ervan tijdens de borstvoeding. In een studie met pamidroninezuur was het middel niet detecteerbaar in de moedermelk. Bisfosfonaten worden snel in het bot opgenomen. Bisfosfonaten die reeds in het botweefsel zijn opge­slagen, kunnen tijdens de borstvoeding weer vrijkomen in het plasma.

    Vitamine D en analoga

    Meest veilig, handha­ven

    (lage dosis)

    Waarschijnlijk veilig

    (lage dosis)

    Risico onbekend

    (hoge dosis)

    colecalciferol
    (vitamine D3)

    ergocalciferol
    (vitamine D2)

    alfacalcidol

    calcifediol

    calcitriol

    dihydrotachysterol

    paricalcitol

    alfacalcidol

    calcifediol

    calcitriol

    colecalciferol
    (vitamine D3)

    dihydrotachysterol

    ergocalciferol
    (vitamine D2)

    paricalcitol

    Vitamine D wordt slechts in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Sup­pletie van de moeder leidt nauwelijks tot een toename van de concentratie vitamine D in de moedermelk; Deze stijgt pas substantieel bij inname van meer dan 4000 IE/dag.

    Indien een tekort aan vitamine D moet worden aangevuld, heeft een dagelijkse toedie­ningsvorm van colecalceferol of ergocalciferol de voorkeur met een maximale dosering van 100 µg (= 4.000 IE) per dag. De ervaring met zeer hoge wekelijkse en of maande­lijkse doseringen is te beperkt om een risico inschatting te kunnen maken en wordt daarom afgeraden. Ontstaan van hypercalciemie bij de zuigeling is een mogelijk risico

    Er zijn geen gegevens bekend over de overgang van alfacalcidol, calcifediol, calcitriol, dihydrotachysterol en paricalcitol in de moedermelk. Om hypercalciëmie bij de zuigeling te voorkomen, dient de dosis tijdens de borstvoeding te worden beperkt. Indien hogere doses nodig zijn, wordt aanbevolen de calciumspiegels bij zowel de moeder als de zui­geling te controleren.

    Overige calciumregulerende middelen

    Risico onbekend

    calcitonine

    cinacalcet

    teriparatide

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van calcitonine, cinacalcet en teripara­tide tijdens de borstvoeding. Gebruik tijdens borstvoeding wordt afgeraden.

    Analgetica, antireumatica en jichtmiddelen

    Niet-opioïden

    NSAID’s/salicylaten (prostaglandinesynthetaseremmers)

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    ibuprofen

    acetylsalicylzuur,
    < 80 mg (kortdurend)

    carbasalaatcalcium, < 100 mg (kortdurend)

    diclofenac

    flurbiprofen

    indometacine
    (kortdurend)

    naproxen
    (kortdurend)

    aceclofenac

    dexketoprofen

    fenylbutazon

    ketorolac

    meloxicam

    nabumeton

    oxaprozine

    piroxicam

    proglumetacine

    propyfenazon

    tenoxicam

    tiaprofeenzuur

    acetylsalicylzuur, > 80 mg

    carbasalaatcalcium, > 100 mg

    indometacine
    (langdurig)

    ketoprofen

    metamizol

    naproxen
    (langdurig)

    Salicylaten (acetylsalicylzuur, carbasalaatcalcium) gaan over in de moedermelk. Inci­denteel gebruik is geen probleem, maar langdurig gebruik van hogere doseringen wordt afgeraden vanwege de kans op bloedingen, salicylaatintoxicatie en het syndroom van Reye bij de zuigeling. De lage doseringen acetylsalicylzuur en carbasalaatcalcium kun­nen wel langdurig tijdens het geven van borstvoeding worden gebruikt. Er kan worden overwogen om 2–3 uur te wachten met voeden na inname. Salicylaten worden snel gemetaboliseerd, waardoor de blootstelling van deze middelen aan de zuigeling verder wordt verminderd.

    Diclofenac, flurbiprofen, ibuprofen en indometacine gaan slechts in minimale hoeveel­heden over in de moedermelk. Er is één casus beschreven van een convulsie bij een neonaat tijdens indometacinegebruik door de moeder. Van de andere middelen zijn geen bijwerkingen bij de kinderen beschreven. Diclofenac, flurbiprofen en ibuprofen kunnen worden gebruikt tijdens de borstvoedingsperiode.

    Naproxen en piroxicam gaan over in de moedermelk en hebben een langere halfwaar­detijd dan de eerder genoemde NSAID's, waardoor het gevaar van stapeling bestaat bij langdurig gebruik. Er is één casus beschreven waarbij tijdens naproxengebruik door de moeder sprake was van bloedingsneiging, bloedingen en bloedarmoede bij een neonaat van één week oud. Bij incidenteel gebruik verwacht men geen problemen.

    Bij gebruik van metamizol is een casus beschreven waarbij de neonaat twee keer een cyanotisch incident doormaakte kort na inname van metamizol door de moeder.

    Van de overige NSAID’s zijn geen gegevens voorhanden.

    COX-2-remmers

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    celecoxib

    etoricoxib

    parecoxib

    De beperkte informatie over celecoxib laat zien dat het middel overgaat in de moeder­melk. De relatieve kinddosis is echter zeer laag, waardoor er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Over het gebruik van etoricoxib tijdens de borstvoeding zijn geen gedocumenteerde gegevens beschikbaar. Bij gebruik van parecoxib is bij eenmalige dosering geen negatief effect gezien. Echter, voorzichtigheid is geboden bij prematuren en neonaten vanwege de aanwezigheid van een sulfonamidegroep in de chemische structuur die mogelijk kan leiden tot een verhoogde kans op kernicterus en bloedingen.

    Overige niet-opioïden

    Meest veilig, handhaven

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    paracetamol (+ coffeïne)

    nefopam

    levomepromazine

    Paracetamol is een eerstekeuzemiddel bij pijn tijdens de borstvoedingsperiode. Er zijn zeer beperkte gegevens over nefopam.

    Levomepromazine behoort tot de fenothiazinederivatens. Fenothiazinederivaten zijn gecontra-indiceerd voor gebruik bij jonge kinderen vanwege risico op sedatie, ademha­lingsdepressie en associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syndrome, ofwel wiegen­dood). Er zijn echter nog nooit meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan fenothiazinederivatens via de borstvoeding.

    Opioïden (morfinomimetica)

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    alfentanil
    (kortdurend)

    buprenorfine

    fentanyl
    (kortdurend)

    methadon

    nalbufine
    (kortdurend)

    tramadol
    (kortdurend)

    dextromoramide

    fentanyl
    (langdurig)

    folcodine

    hydromorfon

    nicomorfine

    pentazocine

    piritramide

    remifentanil

    sufentanil

    tapentadol

    tilidine

    tramadol
    (langdurig)

    codeïne
    (kortdurend)

    morfine

    pethidine

    codeïne
    (langdurig)

    dihydrocodeïne

    oxycodon

     

    Eenmalig en kortdurend gebruik van opioïden tijdens de borstvoeding is geen bezwaar. Langdurig gebruik van deze middelen moet worden vermeden. Het grootste gevaar van deze middelen is het optreden van ademhalingsdepressie bij de zuigeling.
    Opioïden kunnen door een remmend effect op de afgifte van oxytocine in de hersenen de toeschietreflex verminderen.

    Codeïne wordt meestal in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Er is echter één melding in de literatuur van sterfte van de zuigeling na gebruik van codeïne door de moeder. De moeder had een abnormaal verhoogde activiteit van het cyto­chroom P450 iso-enzym CYP2D6 (een ultra rapid metabolizer), een genotype dat voor­komt bij 1–2% van de Europese bevolking. Daardoor vormde zij versneld morfine uit codeïne. Dit leidde tot verhoogde morfinespiegels in het serum van de moeder en in de moedermelk. Op theoretische gronden geldt dit waarschijnlijk ook voor dihydrocodeïne. Daarom dienen deze middelen niet te worden gebruikt tijdens de borstvoedingsperiode.

    Morfine heeft een lage biologische beschikbaarheid, waardoor het kind minder wordt blootgesteld aan dit middel. Echter, bij neonaten en prematuren is de klaring vermin­derd en kan er accumulatie optreden. Hierdoor bestaat er een risico op ademhalingsde­pressie en een nadelig effect op het centraal zenuwstelsel.

    Pethidine gaat over in de moedermelk. De halfwaardetijd in neonaten is lang, waardoor het middel kan accumuleren in het plasma. Bij neonaten is verminderde alertheid gezien als gevolg van pijnbehandeling na een keizersnede bij de moeder.

    Er is een melding van intoxicatie bij een neonaat na gebruik van oxycodon door de moeder. In een studie werd bij 20% van de neonaten invloed gezien op het centraal zenuwstelsel (slaperigheid) bij het gebruik van oxycodon door de moeder.

    Methadon wordt door de zuigeling goed verdragen. Wees bij langdurig gebruik en hogere doseringen alert op sedatie en respiratoire depressie van de zuigeling.

    Buprenorfine is een alternatief voor methadon en de beperkte gedocumenteerde erva­ring wijst niet op negatieve effecten bij de zuigeling. De concentratie in de moedermelk is laag en de orale beschikbaarheid is slecht, waardoor er weinig blootstelling aan de neonaat wordt verwacht.

    Alfentanil, fentanyl, nalbufine en sufentanil worden na eenmalige toediening slechts in zeer kleine hoeveelheden in de melk uitgescheiden.

    Van de overige middelen is onvoldoende bekend.

    Middelen bij chronische gewrichtspijnen

    Middelen bij reumatische aandoeningen

    Biologicals

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    adalimumab

    certolizumab pegol

    etanercept

    infliximab

    abatacept

    anakinra

    belimumab

    canakinumab

    golimumab

    tocilizumab

    Met infliximab is de meeste ervaring tijdens de borstvoeding, gevolgd door adalimumab en certolizumb pegol. Nadelige effecten zijn tot op heden niet gemeld.

    Adalimumab, belimumab, canakinumab, certolizumab pegol, infliximab, golimumab en tocilizumab zijn monoklonale antilichamen. Grote moleculen gaan nauwelijks over in de moedermelk. Er vindt mogelijk wel in kleine hoeveelheden actief transport plaats van monoklonale antilichamen naar de moedermelk, met name in de eerste week postpar­tum. Hierdoor is de overgang van kleine hoeveelheden in de moedermelk niet uitgeslo­ten. Omdat certolizumab pegol slechts bestaat uit het 'Fab'- fragment van een monoklonaal antilichaam, zal actief transport waarschijnlijk niet optreden. In de prak­tijk is dit ook waargenomen bij infliximab en adalimumab, maar de gemeten concentra­tie in de borstvoeding is laag. Er zijn ook enkele case-reports waarin infliximab, adalimumab en certolizumab pegol niet detecteerbaar waren in de moedermelk.

    Waarschijnlijk worden deze grote moleculen in het maagdarmkanaal van de neonaat geïnactiveerd. Systemische effecten bij de neonaat door blootstelling hieraan via borst­voeding zijn onwaarschijnlijk. Of er langetermijneffecten zijn, is onbekend.

    Er is beperkte ervaring met etanercept. Het wordt minimaal in de moedermelk uitge­scheiden en heeft een geringe biologische beschikbaarheid na orale toediening. Er is geen ervaring met abatacept en anakinra tijdens de borstvoeding.

    Overige middelen bij reumatische aandoeningen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    azathioprine

    ciclosporine

    sulfasalazine

    aurothiomalaat

    chloroquine
    (bij dagelijkse dosis)

    glucosamine

    hydroxychloroquine
    (bij dagelijkse dosis)

    leflunomide

    methotrexaat

    Azathioprine en ciclosporine gaan in geringe hoeveelheden over in de  moedermelk. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten op de zuigeling gemeld (voor mee informatie, zie Immunosuppressiva.

    Voor meer informatie over sulfasalazine: zie Middelen bij chronische darmontsteking.

    Hydroxychloroquine en chloroquine gaan over in de moedermelk. Chronisch gebruik van deze middelen bij reuma zou door de lange halfwaardetijd tot accumulatie kunnen lei­den. Het gebruik, anders dan malariaprofylaxe, wordt daarom tijdens de borstvoeding afgeraden.

    Goudverbindingen hebben een extreem lange halfwaardetijd en zijn in het serum van zuigelingen aangetoond. Aurothiomalaat gaat over in de moedermelk en het heeft eveneens een extreem lange halfwaardetijd. Bij gebruik van goudverbindingen wordt het geven van borstvoeding afgeraden.

    Het gebruik van methotrexaat tijdens de borstvoeding wordt afgeraden. Methotrexaat gaat in kleine hoeveelheden over in de moedermelk, maar kan langere tijd in de weef­sels aanwezig blijven.

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van leflunomide en glucosamine tijdens de borstvoeding. Glucosamine is nauwelijks detecteerbaar in het plasma van de moeder en heeft een lage orale beschikbaarheid, zodat het onwaarschijnlijk is dat er klinisch rele­vante spiegels bij het kind terechtkomen.

    Middelen bij jicht

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    ibuprofen

    indometacine
    (kortdurend)

    allopurinol

    benzbromaron

    colchicine

    febuxostat

    indometacine
    (langdurig)

    Middelen bij een acute jichtaanval

    Ibuprofen en indometacine gaan slechts in minimale hoeveelheden over in de moeder­melk en kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt. Ibuprofen is een eerste-keu­zemiddel (voor meer informatie, zie NSAID’s/salicylaten (prostaglandinesynthetaseremmers)). Er is één casus beschreven van een convulsie bij een neonaat tijdens indometacinegebruik door de moeder.

    Colchicine gaat in relatief grote hoeveelheden over in de moedermelk; spiegels in serum en borstvoeding lopen min of meer parallel. Er is echter een grote individuele variatie. Op grond van kleine studies lijkt eenmalig of kortdurend gebruik tijdens de borstvoeding mogelijk.

    Middelen ter voorkoming van een jichtaanval

    Allopurinol gaat over in de moedermelk, maar de gedocumenteerde ervaring met dit middel is zeer beperkt.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van benzbromaron en febuxostat tijdens de borstvoeding.

    Vitaminen en mineralen

    vitaminen

    In Nederland bevat een gevarieerd dieet voldoende vitaminen voor vrouwen die borst­voeding geven, met uitzondering van vitamine D voor vrouwen die weinig zonlicht krij­gen of een (licht) getinte huid hebben. Aanbevolen hoeveelheden per dag voor vrouwen die borstvoeding geven zijn:

    Meest veilig, handhaven

    vitamine

    aanbevolen hoeveelheid per dag

    retinol (vitamine A)

    1250 RE (=4165 IE = 1250 µg)

    thiamine (vitamine B1)

    1,7 mg

    riboflavine (vitamine B2)

    1,7 mg

    nicotinamide (vitamine B3)

    20 mg

    panthoteenzuur (vitamine B5)

    7 mg

    pyridoxine (vitamine B6)

    1,9 mg

    biotine (vitamine B8)

    45 mg

    foliumzuur (vitamine B11)

    0,4 mg als suppletie

    cyanocobalamine (vitamine B12)

    3,8 µg

    ascorbinezuur (vitamine C)

    110 mg

    colecalciferol (vitamine D3)

    10 µg als suppletie

    ergocalciferol (vitamine D2)

    geen aanbeveling

    tocoferol (vitamine E)

    11 alfa-tocoferolequivalenten = 16,4 IE = 14,8 mg

    Risico onbekend

    vitamine A
    (hoge dosis)

    vitamine D2 (ergocalciferol) en D3 (colecalciferol)
    (hoge dosis)

    Vitaminen kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt in de aanbevolen doserin­gen als suppletie en bij tekorten, mits de maximale dagdosering niet wordt overschre­den. Hoge doseringen (boven de aanbevolen bovengrens per dag) kunnen beter vermeden worden; over de effecten is weinig bekend.

    Het gebruik van hoge doses vitamine A, zoals bij sommige huidziekten, wordt tijdens de borstvoeding afgeraden.
    De maximale hoeveelheid vitamine A is 3000 RE (retinol equivalenten) per dag. Dit komt overeen met 3000 µg = 10.000 IE retinol (= vitamine A).

    Vitamine B6 gaat gemakkelijk in de borstvoeding over en daarom worden hoge doserin-gen (> 25 mg) afgeraden. Nadelige effecten op de zuigeling zijn niet gemeld.

    Vitamine D wordt slechts in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Sup­pletie van de moeder leidt nauwelijks tot een toename van de concentratie vitamine D in de moedermelk. Deze stijgt pas substantieel bij inname van meer dan 4000 IE/dag. De suppletie van vitamine D aan het borstgevoede kind kan dus niet gestopt worden als de moeder zelf extra vitamine inneemt.

    Sinds 2012 wordt door de Gezondheidsraad het advies gegeven, dat vrouwen die weinig zonlicht ontvangen of een (licht) getinte huid hebben, bij de borstvoeding een dagelijkse suppletie van 10 µg (400 IE) vitamine D (vitamine D3, colecalciferol) moeten gebruiken. Indien een tekort aan vitamine D3 moet worden aangevuld, heeft een dage­lijkse toedieningsvorm de voorkeur met een maximale dosering van 100 µg (= 4.000 IE) per dag. De ervaring met zeer hoge wekelijkse en of maandelijkse dose­ringen is te beperkt om een risico inschatting te kunnen maken en wordt daarom afge­raden. Ontstaan van hypercalciemie bij de zuigeling is een mogelijk risico.

    Voor vitamine K (fytomenadion), zie Haemostatica.

    mineralen

    Aanbevolen hoeveelheden per dag voor vrouwen die borstvoeding geven zijn:

    Meest veilig, handhaven

    mineraal

    aanbevolen hoeveelheid per dag

    calcium

    1000 mg

    ijzer

    15 mg

    kalium

    3100 mg

    magnesium

    280 mg

    zink

    11 mg

    koper

    1 mg

    natrium

    geen aanbeveling

    Mogelijk risico

    mineraal

    aanbevolen hoeveelheid per dag

    jodium

    200 mg

    Mineralen en sporenelementen kunnen tijdens de borstvoeding worden gebruikt in de aanbevolen doseringen als suppletie en bij tekorten, mits de maximale dagdosering niet wordt overschreden. Hoge doseringen ( boven de aanbevolen bovengrens per dag) kun-nen beter vermeden worden; over de effecten is weinig bekend.

    Extra ijzerinname verhoogt het gehalte aan ijzer in de moedermelk niet.

    Suppletie van jodium dient alleen te gebeuren bij een bewezen deficiëntie. Jodium kan de schildklierfunctie van de zuigeling beïnvloeden

    Middelen bij maligne aandoeningen

    Oncolytica (cytostatica)

    Bij het gebruik van cytostatica mag géén borstvoeding worden gegeven. Cisplatine en cyclofosfamide gaan in grote hoeveelheden over in de moedermelk; doxorubicine, hydroxycarbamide en methotrexaat in kleinere hoeveelheden. Van de overige middelen zijn geen gegevens beschikbaar.

    Immunomodulantia

    Mogelijk risico

    lenalidomide

    pomalidomide

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van deze middelen tijdens de borstvoeding. Gezien de vele bijwerkingen van deze middelen, wordt gebruik tijdens de borstvoeding afgeraden.

    Monoklonale antilichamen

    Risico onbekend

    alemtuzumab

    bevacizumab

    cetuximab

    obinutuzumab

    ofatumumab

    panitumumab

    pertuzumab

    rituximab

    trastuzumab

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van deze monoklonale antilichamen tij­dens de borstvoeding. Vanwege de molecuulgrootte wordt niet verwacht dat zij passief overgaan in de moedermelk. Het is niet bekend of er actief transport naar de moeder­melk kan plaatsvinden. Waarschijnlijk worden deze grote moleculen vervolgens in het maagdarmkanaal van de neonaat geïnactiveerd. Het is onwaarschijnlijk dat systemische effecten optreden bij de neonaat na blootstelling aan monoklonale antilichamen via de borstvoeding. Het is onbekend of er langetermijneffecten zijn.

    Proteïnekinasremmers

    Mogelijk risico

    cabozantinib

    dasatinib

    erlotinib

    gefitinib

    idelalisib

    imatinib

    lapatinib

    nilotinib

    ponatinib

    sunitinib

    Imatinib gaat over in de borstvoeding. Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van de andere proteinekinaseremmers tijdens de borstvoeding. Gezien de werking van deze middelen en het risico hiervan voor de zuigeling, wordt gebruik tijdens de borst­voeding afgeraden.

    Middelen bij allergische aandoeningen

    Antihistaminica en overige middelen

    Over het algemeen geldt dat tijdens de borstvoeding lokale therapie de voorkeur heeft, zoals neussprays met cromoglicinezuur, budesonide of beclometason.
    Voor nasale toediening van corticosteroïden geldt hetzelfde als voor toediening per inhalatie, zie Corticosteroïden.

    Antihistaminica

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    Risico, stoppen

    cetirizine

    desloratadine

    dimetindeen
    (kortdurend)

    levocetirizine

    loratadine

    acrivastine

    bilastine

    chloorfenamine

    difenylpyraline

    ebastine

    fexofenadine

    ketotifen

    mizolastine

    rupatadine

    alimemazine

    difenhydramine

    promethazine

    clemastine

    dexchloorfeniramine

    dimetindeen
    (langdurig)

    hydroxyzine

    Indien orale antihistaminica noodzakelijk zijn, hebben loratadine (eerste keus) of cetiri­zine (tweede keus) de voorkeur. Ze worden in het algemeen goed verdragen door de zuigeling. De gedocumenteerde ervaring is nog beperkt. In de praktijk worden waar­schijnlijk ook desloratadine (de werkzame metaboliet van loratadine) en levocetirizine (de werkzame (R)-enantiomeer van cetirizine) regelmatig gebruikt in combinatie met borstvoeding. De hoeveelheden die overgaan in de moedermelk zijn, voor zover bekend, bij loratadine klein en de kans op sedatie van de zuigeling is minimaal. Als sedatie optreedt, is het advies om over te gaan op een ander middel. Gebruik van de oudere antihistaminica, zoals clemastine, kan beter worden vermeden vanwege effec­ten op het centraal zenuwstelsel. Voor clemastine is een geval van sufheid, nekstijfheid en overprikkeling bij de zuigeling gemeld.

    Promethazine  en alimemazine zijn gecontra-indiceerd voor gebruik door jonge kinde­ren zelf vanwege  risico's op sedatie, ademhalingsdepressie en de associatie met SIDS (Sudden Infant Death Syndrome ofwel wiegendood). Er zijn echter nog nooit meldingen geweest van SIDS of apneu na blootstelling aan promethazine of alimemazine via de borstvoeding.

    Voor de meeste andere antihistaminica zijn onvoldoende of geen gegevens aanwezig. In het algemeen geldt dat sedatie van de zuigeling de belangrijkste bijwerking is na maternaal gebruik van een antihistaminicum. Daarnaast kunnen ook effecten zoals slecht drinken en een droge mond optreden. De kans hierop is het grootst bij gebruik van de oudere antihistaminica.

    In theorie kunnen antihistaminica het serum-prolactinegehalte verlagen en daardoor de borstvoeding remmen.

    Cromoglicinezuur en derivaten

    Meest veilig,
    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    cromoglicinezuur

    nedocromil

    Cromoglicinezuur kan zowel via inhalatie als oraal worden gebruikt tijdens de borstvoe­ding.

    Er zijn geen gegevens over nedocromil in combinatie met borstvoeding. De systemische belasting is laag en het is niet waarschijnlijk dat er nadelige effecten zullen optreden bij de zuigeling.

    Overige middelen bij allergische aandoeningen

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    allergenen
    (immunotherapie)

    pseudo-efedrine

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van allergenen (immunotherapie) tij­dens de borstvoeding.

    Als pseudo-efedrine tijdens de borstvoeding wordt gebruikt, kan dit leiden tot irritatie bij de zuigeling. Ook kan de hoeveelheid melk verminderen als de borstvoeding nog niet goed op gang is.

    Diverse preparaten

    Antidota

    Meest veilig,

    handhaven

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    folinezuur

    kool, geactiveerd

    acetylcysteïne (hoge dosis)

    methylnaltrexon

    naloxon

    protamine

    atropine

    Tijdens een intoxicatie wordt het geven van borstvoeding in het algemeen afgeraden. De adviezen in de tabel hebben uitsluitend betrekking op het gebruik van het betref­fende antidotum, niet op het risico van de intoxicatie zelf.

    Geactiveerde kool en folinezuur, een metaboliet van foliumzuur, mogen tijdens de borst­voeding worden gebruikt.

    Er is veel gebruikservaring met acetylcysteïne als mucolyticum tijdens de borstvoeding. Nadelige effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Er zijn echter geen specifieke gege­vens over hogere doseringen.

    Atropine kan de melktoevoer verminderen en kan in theorie anticholinerge bijwerkingen bij de zuigeling veroorzaken.

    Er is geen gedocumenteerde ervaring met het gebruik van methylnaltrexon, naloxon en protamine tijdens de borstvoeding.

    Middelen ter eliminatie van zware metalen

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    deferoxamine

    deferasirox

    deferipron

    Het is niet bekend of deze middelen overgaan in de moedermelk. Echter, de biologische beschikbaarheid van deferoxamine bij de zuigeling is heel laag, omdat het niet of nau­welijks wordt opgenomen vanuit het maagdarmkanaal. De orale absorptie van deferasi­rox en deferipron is hoger.

    Indien één van deze middelen is geïndiceerd, gaat de voorkeur uit naar deferoxamine; eventueel kan de zuigeling gemonitord worden op ijzerdeficiëntie.

    DEET

    Risico onbekend

    DEET

    Diëthyltoluamide (DEET) wordt door de huid geabsorbeerd (17%). Het is niet bekend of DEET overgaat in de moedermelk. Het gebruik van DEET dient te worden beperkt, omdat het enerzijds toxische eigenschappen heeft, ook na cutaan gebruik, en ander­zijds de gedocumenteerde ervaring beperkt is. DEET dient alleen te worden gebruikt als muggensteken daadwerkelijk een gezondheidsrisico vormen. Gebruik een lage concen­tratie en breng indien mogelijk niet direct op de huid aan, maar op beddengoed, klam­boe en/of kleding. Neem tevens andere beschermende maatregelen tegen muggen.

    Immunosuppressiva

    Waarschijnlijk vei­lig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    azathioprine

    ciclosporine

    tacrolimus

    basiliximab

    belimumab

    mercaptopurine

    tioguanine

    belatacept

    everolimus

    mycofenolaatmofetil

    mycofenolaat-natrium

    sirolimus

    thymocytenglobuline

    Azathioprine, ciclosporine en tacrolimus gaan in geringe hoeveelheden over in de moe­dermelk. Er zijn tot nu toe geen nadelige effecten op de zuigeling gemeld. Ook zijn er geen aanwijzingen voor (langetermijn) effecten op het immuunsysteem en bloedbeeld van de zuigeling. Door na inname van azathioprine 4-6 uur te wachten met het geven van borstvoeding kan de hoeveelheid die het kind binnenkrijgt geminimaliseerd worden. Sommige bronnen adviseren om het bloedbeeld en de leverfunctie van het kind te con­troleren bij volledige borstvoeding.

    Met de aan azathioprine verwante middelen mercaptopurine en tioguanine is de erva­ring zeer beperkt.

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van deze monoklonale antilichamen tij-dens de borstvoeding. Vanwege de molecuulgrootte wordt niet verwacht dat deze mid­delen passief overgaan in de moedermelk. Het is niet bekend of er actief transport naar de moedermelk kan plaatsvinden. Waarschijnlijk worden deze grote moleculen vervol­gens in het maagdarmkanaal van de neonaat geïnactiveerd. Het is onwaarschijnlijk dat syste-mische effecten optreden bij de neonaat na blootstelling aan monoklonale antili­chamen via de borstvoeding. Het is onbekend of er langetermijneffecten zijn.

    Er zijn weinig tot geen gegevens bekend over het gebruik van de overige middelen tij­dens de borstvoeding. Gezien de aard van deze middelen is terughoudendheid gebo­den.

    Middelen bij behandeling van afhankelijkheid

    Waarschijnlijk veilig

    Risico onbekend

    Mogelijk risico

    naltrexon

    nicotine(preparaten)

    acamprosaat

    disulfiram

    nalmefeen

    varenicline

    bupropion

    Roken tijdens de borstvoeding wordt afgeraden. Nicotine gaat gemakkelijk over in de moedermelk. Het effect van nicotine op de zuigeling is onvoldoende bekend. Stoppen met roken zonder gebruik van nicotinevervangende producten (als pleister, kauwgom, tablet, spray en inhalator) heeft de voorkeur. Indien dit niet lukt, zijn laaggedoseerde nicotinepleisters een beter alternatief. Bij gebruik van nicotinepleisters van 21 mg/dag blijkt de hoeveelheid nicotine en cotinine in de moedermelk vergelijkbaar met het roken van gemiddeld 17 sigaretten per dag. Bij gebruik van nicotinepleisters van 7 mg/dag en 14 mg/dag neemt de hoeveelheid in de moedermelk sterk af. Bij gebruik van nicotine­kauwgum ontstaan grotere fluctuaties en piekspiegels en is het advies om na gebruik 2 tot 3 uur geen borstvoeding te geven. Dit geldt ook voor de tabletten, spray en inhala­tor.

    Over de veiligheid van e-sigaretten (elektronische sigaretten) tijdens de borstvoeding is nog geen uitspraak mogelijk, omdat er geen beschreven ervaring mee is. De hoeveel­heid nicotine die per trekje vrijkomt is waarschijnlijk minimaal, maar bij intensief gebruik van een e-sigaret met een hoog nicotinegehalte kan de bloedspiegel (en dus ook de concentratie in de melk) toch significant toenemen. Een voordeel van e-sigaret­ten is de verminderde blootstelling aan teer en koolmonoxide. Wel bevatten deze siga­retten andere schadelijke stoffen en chemische onzuiverheden in sterk wisselende concentraties.

    Zeer beperkte ervaring met het gebruik van bupropion tijdens de borstvoeding, met name bij moeders met zuigelingen ouder dan zes maanden, laat tot nu toe over het algemeen geen nadelige effecten zien. De hoeveelheid die overgaat in de moedermelk lijkt laag. Er zijn twee case-reports van kinderen rond de zes maanden waarbij insult­achtige symptomen gemeld werden na het krijgen van borstvoeding in combinatie met maternaal gebruik van bupropion (bij één case werd ook escitalopram gebruikt).

    Er zijn geen gegevens over het gebruik van varenicline tijdens de borstvoeding. Van­wege de lange halfwaardetijd en mogelijke centrale effecten, wordt gebruik tijdens de borstvoeding afgeraden.

    Naltrexon gaat zeer beperkt over in de moedermelk.

    Bij alcoholverslaving wordt het geven van borstvoeding afgeraden. Er is geen of onvol­doende gedocumenteerde ervaring met het gebruik van acamprosaat, disulfiram en nal­mefeen tijdens de borstvoeding.

    Middelen bij overgewicht

    Risico onbekend

    orlistat

    Er zijn geen gegevens bekend over het gebruik van orlistat tijdens de borstvoeding. Gezien de lokale werking is overgang naar de melk onwaarschijnlijk. Wel is er een kans op maternale deficiëntie van vetten en vetoplosbare vitaminen. Orlistat verstoort name­lijk de vetopname vanuit het maagdarmkanaal. Dit zou in theorie tot lagere melkcon­centraties van deze vitaminen kunnen leiden. Gebruik van dit middel tijdens de borstvoeding is niet geïndiceerd, omdat afvallen tijdens de borstvoeding wordt ontra­den.

    Middelen bij hepatische encefalopathie

    Risico onbekend

    rifaximine

    Er is geen ervaring met het gebruik van rifaximine tijdens de borstvoeding.

    Middelen bij dystrofie

    Waarschijnlijk veilig

    acetylcysteïne
    (hoge dosis)

    Er is veel gebruikservaring met acetylcysteïne als mucolyticum tijdens de borstvoeding. Nadelige effecten op de zuigeling zijn nooit gemeld. Er zijn echter geen specifieke gege­vens over hoge doseringen (driemaal daags 600 mg), zoals gebruikt bij posttraumati­sche dystrofie.

    Contrastmiddelen

    Intraveneus toegediende contrastmiddelen met jodium of gadolinium gaan in zeer kleine hoeveelheden over in de moedermelk en worden niet opgenomen vanuit het maagdarmkanaal van de zuigeling. De borstvoeding kan gecontinueerd worden. Indien men de blootstelling helemaal wil voorkomen, kan de borstvoeding 24 uur onderbroken worden.

    Radiofarmaca

    Bij radiofarmaca moet de borstvoeding tijdelijk worden onderbroken. De tijd die nodig is om de radioactiviteit in de moedermelk tot een veilig niveau te laten dalen, hangt af van het radioactieve verval en de maternale excretie. Na vaststelling van een veilige hoeveelheid radioactiviteit in de melk kan het geven van borstvoeding worden hervat.

    Literatuur

    De teksten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op (recente) primaire bronnen en literatuur. Het is helaas niet mogelijk om alle referenties apart te noemen. Daarnaast worden ook een aantal handboeken (Bennet, Briggs, Hale en Schaefer) en de databases van ReproTox® en US National Library of Medicine geraadpleegd (zie in literatuurlijst).

    Bennet PN. Drugs and human lactation, 2nd ed. Amsterdam: Elsevier Science, 1996.

    Briggs GG, Freeman RK, Yaffe SJ. Drugs in Pregnancy and Lactation, 10th ed. Lippincott: Williams & Wilkins, 2014.

    US National Library of Medicine. Drugs and Lactation Database (LactMed) 2016.  
    http://toxnet.nlm.nih.gov/cgi-bin/sis/htmlgen?LACT

    Hale TW. Medications and Mothers’ Milk, 16th ed. Amarillo, Pharmasoft Publishing, 2014.

    Reproductive Toxicology Center. ReproTox® 2016. www.reprotox.org

    Schaefer C, Peters PWJ, Miller RK. Drugs during Pregnancy and Lactation, 3rd ed. Amsterdam: Elsevier Science, 2015.

    Beoordeling door deskundige(n)

    Mw. drs. B.N.B.S.G.M. Cuppers-Maarschalkerweerd, apotheker, TIS Lareb, ‘s Hertogenbosch.

    Mw. dr. J.L.M. Passier, farmaceut, TIS Lareb, ’s Hertogenbosch.

    Mw. drs. B.C. Raemaekers, MSc, arts, TIS Lareb, 's Hertogenbosch.

    Mw. drs. I.W. de Swart-Ruijter, arts, TIS Lareb, ‘s Hertogenbosch.

    Mw. drs. L.C. de Vries, arts, TIS Lareb, ‘s Hertogenbosch.

    Mw. drs. A.G.W. te Winkel, apotheker, TIS Lareb, ‘s Hertogenbosch.

    ^

    ©Health Base Commentaren Medicatiebewaking - juli 2016